Groot wielerwoordenboek

Geschreven door Marc De Coster

Gepubliceerd op 25-05-2017

2017-05-25

wiel: aan een - blijven hangen, in iemands - kruipen (zitten)

betekenis & definitie

(passief) achter een andere renner blijven fietsen zodat men geen hinder heeft van de wind en z’n krachten kan sparen. Wie in het wiel zit moet voortdurend opletten want de ander kan een fout maken. Men kan ook geen abrupte bewegingen maken en moet zo veel mogelijk vooruit denken. Dit wordt ook wel ‘wieltjes zuigen’ genoemd. Frans: être dans les roues.

Ik had me daar toen misschien ook beter in zijn wiel kunnen zetten om te proberen hem in de slotfase af te schudden. (Wieler Revue, 14/12/1990)

Ik heb er nog altijd hartzeer van dat ik toen niet tegen hem heb kunnen spurten. Ik had in zijn wiel moeten kruipen. (Noël Truyers: Pedaalridders. 1992)