Groot wielerwoordenboek

van asfalteczeem tot zoetemelkpositie (uitgave 1989)

Gepubliceerd op 25-05-2017

2017-05-25

waaier

betekenis & definitie

Groep renners die in waaiervorm rijdt, waarbij soms de hele breedte van de weg in beslag genomen wordt, om zo weinig mogelijk last te hebben van de wind. De renner die vooraan rijdt (de windbreker) vangt de wind op en moet daarom tijdig worden afgelost. Een goede samenwerking tussen de renners is dan ook onontbeerlijk. Er wordt voortdurend opgeschoven. Omdat de wegen hier nogal open zijn en het klimaat winderig is, is dit een Nederlandse specialiteit. Internationaal is het echter een ondergeschikte specialiteit. Een goede tijdrit of sprint zijn dan belangrijkere capaciteiten. Zie ook dubbele waaier en mongolenwaaier Frans: éventail. Engels: echelon.

Bij het ingaan van de Hel van het Noorden had de eerste waaier twee minuten voorsprong, en eerst toen begonnen Rik en Altig en ik te rijden. (Robin Hannelore: Kampioen in een doodlopende straat. 1973)

De eerste waaier was welgeteld 32 blauwe neuzen sterk, zelfs nadat Roy Schuiten bijgehaald was en de Nederlandse wereldkampioen met een lekke achterband bedankt werd. (Jan Cornand & André Blancke: Hoe Merckx de Tour verloor. 1975)