Groot wielerwoordenboek

van asfalteczeem tot zoetemelkpositie (uitgave 1989)

Gepubliceerd op 25-05-2017

2017-05-25

tricycle

betekenis & definitie

Driewieler, als veilige tegenhanger van de hoge bi, in de negentiende eeuw in Engeland ontwikkeld. Werd zowel met pedalen als met handmatig hevelmechanisme aangedreven. Vgl. bicyclette.

Zijn eerste grote organisatie werd Marseille-Parijs in één ruk. Ongeveer 1000 kilometer en hij introduceerde een sensationele nieuwigheid: de gangmakers op hun tandems, hun triplettes en hun multiplettes werden verboden. De deelnemers waren volledig aan zichzelf overgeleverd. De profs werd wel toegestaan zich te laten gangmaken door renners op ‘bicyclettes’, eenzitters dus, maar de ‘wegtoeristen’, de ongesponsorde renners en de aanstormende avonturiers, die het ook wel eens wilden proberen, werd verboden van welke gangmaking dan ook gebruik te maken. Bovendien mochten er geen helpers in auto’s volgen op tricycles of op petroleum-tandems, indien ze werden betaald door fietsenfabrikanten, die toen de enige sponsors van de renners waren. (Dick van den Berg: De sterren van de Tour de France. 1990)

Onder het motto ‘Zo’n idee verdient de Novib-methode’ vinden er deze week nog diverse andere stunts plaats: vandaag houden Breukink, Blijlevens, en nog wat andere wielrenners uit de stal van Raas en Priem een ‘tricycle’-wedstrijd in het Utrechtse Hoog Catharijne. De tricycle is een uit oude fietsonderdelen en waterleidingbuizen samengestelde rammelkast, die wordt aangedreven door het met de hand rondzwengelen van twee trappers. Het is het vervoermiddel voor gehandicapten in Zanzibar. (Algemeen Dagblad, 13/12/1995)