Groot wielerwoordenboek

van asfalteczeem tot zoetemelkpositie (uitgave 1989)

Gepubliceerd op 25-05-2017

2017-05-25

stoempen

betekenis & definitie

Schonkig fietsen; keihard doorgaan (vaak met een groot verzet) met de blik op oneindig en het verstand op nul. De wielrenner oefent veel kracht uit op de pedalen en fietst met heel het lichaam, niet sierlijk. Oorspronkelijk Vlaams wielerjargon maar ondertussen ook in de Nederlandse media binnengesijpeld. Uitroep van voormalig renner en verslaggever van wielerwedstrijden, Maarten Ducrot: ‘Hij zit daar maar te stoempen op dat buitenblad!’ En ook: ‘Kijk die Schumacher stoempen op zijn zadel... Dat zal wel een aambei worden!’

Ze kunnen hem drie keer lossen, maar Kuipertje blijft net zo lang vechten, stoempen of harken tot hij weer terug is. (Wieler Revue, 18/11/1988)

Hoorde hij Mart daar nou zeggen dat Danny Nelissen ‘even stoempend en omslachtig de col opgaat als zijn oom commentaar gaf’? Of verbeeldde hij zich dat nou... (HP/De Tijd, 11/07/1997)