Groot wielerwoordenboek

van asfalteczeem tot zoetemelkpositie (uitgave 1989)

Gepubliceerd op 25-05-2017

2017-05-25

rem

betekenis & definitie

Apparaat waarmee een fiets of ander rijtuig tot stilstand wordt gebracht. Dit gebeurt meestal om een botsing of valpartij te vermijden. Remmen werden pas rond 1900 noodzakelijk, toen ook het freewheel uitgevonden werd. Tevoren gebruikte men doortrappers en werd geremd door tegendruk te geven. Wielrenners gebruiken de uitdrukking ‘in de ho-houwers knijpen’ wanneer ze de remmen bedoelen.

Angst is een slechte raadgever. Dat ondervond Nijdam in de ouverture aan den lijve, hoewel de lichamelijke schade beperkt bleef tot schaafwonden. De Brabander ontkende dat hij banger is dan in het verleden. ‘Ik heb altijd een beetje angst gehad als het wegdek nat is. Dat was dit keer niet meer of minder dan normaal,’ beweerde hij. ‘Bij het naderen van de bocht begon ik te twijfelen. Desondanks heb ik later in de remmen geknepen dan achteraf verantwoord was. Voordat ik het wist lag ik op de grond.’ (Trouw, 09/03/1992)