Groot wielerwoordenboek

van asfalteczeem tot zoetemelkpositie (uitgave 1989)

Gepubliceerd op 25-05-2017

2017-05-25

klipgeit

betekenis & definitie

Renner die zeer goed bergop kan fietsen. Syn.: berggeit; klimgeit.

Twee dagen voor de start van de Tour heeft men in de Parijse Rue Faubourg Montmartre dat bord op Uw automobiel gespijkerd, en opeens kunt gij, bijvoorbeeld op de Place d’Etoile, veertien ernstige verkeersovertredingen in serie begaan terwijl de Parijse verkeerspolitie zich uitslooft om Uw slachtoffers af te blaffen; en opeens buigen in Uw hotel de chasseurs, de portiers, de liftjongens, de kellners en de anders zo ongenaakbare chefs de reception als de spreekwoordelijke knipmessen, want het is mogelijk dat gij Apo Lazarides (de fietsende klipgeit) persoonlijk kent, en het is verder mogelijk dat Gino Bartali (de fietsende monnik) U al eens een hand gegeven heeft, en het is, tenslotte, niet uitgesloten, dat gij iets méér weet van de kansen. (Martin W. Duyzings: Sport op twee wielen. 1950)

Volkomen onverwacht waren we aldus getuigen van een enerverend duel. De Griekse klipgeit tegen de koning-der-bergen! (Martin W. Duyzings: Sport op twee wielen. 1950)