Groot wielerwoordenboek

van asfalteczeem tot zoetemelkpositie (uitgave 1989)

Gepubliceerd op 25-05-2017

2017-05-25

karren

betekenis & definitie

Zeer snel fietsen, tekeergaan. Frans: mouliner.

Tijdrijders zijn domme mensen. Verstand op nul en karren maar. (Vrij Nederland, 05/08/1989)

Het liefst doe ik aan alle Vlaamse koersen mee: je zou het misschien niet denken, maar ik kan, ondanks mijn postuur, behoorlijk hard over die keien karren. (Algemeen Dagblad, 23/03/2005)