Groot wielerwoordenboek

van asfalteczeem tot zoetemelkpositie (uitgave 1989)

Gepubliceerd op 25-05-2017

2017-05-25

kapotzitten

betekenis & definitie

Niet meer verder kunnen; aan het eind van zijn krachten zijn. Soms met de toevoeging ‘als een hoerentoeter’. Rini Wagtmans tegen Eddy Merckx over Luis Ocana in de Tour van 1971: ‘Zie je niet dat hij kapotzit als een hoerentoeter, dat-ie geen kant meer op kan?’ In de gebarentaal van de Tour: de duim tegen de onderkin. Syn.: doodzitten. Frans: rouler sur la jante; être tordu; être cuit. Engels: to have the sags; to take a packet.

Op dat lange rechte eind echter viel Anne Koster plotseling stil. Hij zat zoals dat in wielertaal heet kapot. (Leeuwarder Courant, 06/07/1971)

En het gekke is, dat een sprinter die kapot zit toch altijd kan winnen. (Wieler Revue, 10/06/1988)