Groot wielerwoordenboek

van asfalteczeem tot zoetemelkpositie (uitgave 1989)

Gepubliceerd op 25-05-2017

2017-05-25

harken

betekenis & definitie

Krampachtig fietsen; moeizaam vooruitkomen. Dit woord werd in de jaren tachtig van vorige eeuw populair gemaakt door Gerrie Knetemann. Misschien moet hierbij gedacht worden aan ‘rijden als een hark’, dus: op een stijve manier. Beïnvloeding van de Franse argotterm ‘arquer’ (langzaam vorderen) lijkt niet uitgesloten. Uitroep van voormalig renner en verslaggever van wielerwedstrijden, Maarten Ducrot: ‘Kijk hem daar nu harken op z’n buitenblad met z’n mijnwerkersgezicht.’

Pollentier zat op kop te harken en te stieren. (Gijs Zandbergen: Alleen op kop, 1980)

Het stak de andere Nederlandse ploegleiders al verschrikkelijk dat ik op basis van Andersons goeie klassering tijdens de Tirreno helemaal vooraan in de volgerskaravaan reed, terwijl zij ergens achterin zaten te harken. (Nieuwe Revu, 31/03/1988)