Gepubliceerd op 23-03-2021

Slochteren

betekenis & definitie

gemeente aan het Slochterdiep, van ouds het Zuidelijk deel van Fivelgo, de Woldstreek, ten N. van Sappemeer; 13750 inw.

Slochteren, Kolham, Nieuwe Laan, Knijpslaan, Lange Wijk, De Ruiten, Hooilandspolder, Schildwolde, Hellum, Schildwoldermeenweg, Siddeburen, Oude Weg, Oostwold, Steendam, Tjuchem, Wilderhof, Veendijk en Siddebuursterveen, Harkstede, Scharnier, Hamweg en Lageland, Klein Harkstede, Borgweg (gedeeltelijk), Woudbloem, Overschild (ged.), De Pauwen, Denemarken, Schaaphok, Oosterweren, Gaarland en Laskwerd (ged.).

De buurten Foksham en Borgweg met 800 inw. zijn in 1943 gevoegd bij Hoogezand. N.H. 58, Ger. 20, van andere Hervormde richtingen 4, R.K. 1, zonder gezindte 17%.

De grond bestaat uit laagveen en zand en in het N. klei; het Schildmeer ligt in deze gemeente. Strandbad te Steendam. Landbouw, een aardappelmeelfabriek De Woudbloem; veeteelt, zuivelfabriek Duurswold.

De gemeente beslaat het grootste deel van het waterschap Duurswold; de 7 hoofddorpen heten ook wel de Zeven Wolden, in één lange streek achter elkaar: Harkstede, Scharmer, Kolham, Slochteren, Schildwolde, Hellum en Siddeburen. Aan de overzij van het Schildmeer het nieuwe dorp Overschild.

Het dorp Slochteren is bekend om de Fraeylemaborg, de enige nog bewoonde van de meer dan 100 burchten uit de Ommelanden. Daarbij het Slochterbos met de Dikke Boom, de kinderboom. Verder het beste voorbeeld van de van de kerk vrijstaande vierkante toren met zadeldak, ruim 36 m hoog, uit de 13e eeuw. De kerk, insgelijks uit de 13e eeuw, heeft zwaar geleden bij de brand van 1881. Wat er nu staat is het verlaagde dwarspand van een kruiskerk.

De torenklok is misschien uit de voormalige kloosterkerk van Wittewierum. Het Hogehuis, het oude rechthuis, nu hotel en koffiehuis. Slochteren, in de volkstaal Slachter, volgens Dr M. Schönfeld een oud-Germaans woord = laag gelegen streek. De naam komt het eerst voor in 1169 als Slochtra. (Driem. Bladen 1951, 66.) Toen Coppen Jarges in 1414 de kerken leeghaalde, was er te Slochteren ,,een gulden schreen", een gouden kastje, „dat begroeven de papen in het moerland." „De voogden" zwoeren. dat ze van niets wisten en zo behielden ze de schreen; de kerkvoogden kochten er land voor, zegt Beninge.

Slochteren lag aan de weg van Groningen naar het Oosten, die in 1457 door de Stad verbeterd werd. Zie ook 't Hemeltje.

Slochteren werd in 1505 bezet door graaf Edzard van Oostfriesland tijdens het beleg van Groningen. Hij wilde een blokhuis of schans bouwen ten Oosten van de kerk, maar dit gelukte niet wegens de veengrond; toen liet hij een wal leggen om kerk en toren. In 1513 werd deze wal vernieuwd, toen Edzard zich moest verdedigen tegen Georg van Saksen-Meissen, die uit Friesland kwam en zich te Aduard reeds had gelegerd. Toch maakten de Saksers zich er meester van, maar in 1514 werden ze er weer door Edzard verdreven. In 1515 namen de Groningers de schans in om te beletten dat Edzard heer van de Ommelanden werd.

Slochteren, bezet door Lodewijk van Nassau 1568, doch weer verlaten bij de nadering van de troepen van Aremberg. Na de Slag bij Heiligerlee belegerde hij de Stad, doch toen Alva op komst was, zond hij troepen met geschut en voorraden naar Slochteren. Maar Alva was hem te sterk, zodat hij hem niet in Slochteren afwachten kon. Met nog 7000 man week hij van daar naar Jemgum aan de Eems.

Slochteren, in 1580 bezet door Hohenlohe in dienst der Staten; hij werd er uit verdreven door de graaf van Rennenberg.

Graaf Willem Lodewijk versterkte in 1593 de wallen om de kerk, doch Verdugo verdreef de Staatsen er uit na één week. In 1594 nam Willem Lodewijk de Slochterschans weer in ter gelegenheid van het beleg van de Stad.

Daardoor werd de weg vrij voor de aanvoer van levensmiddelen naar het leger van Maurits, dat voor de Stad lag, en de Stad kon niet meer rekenen op toevoer en hulp.

Van hoe groot belang de Stad die toevoer achtte was gebleken in 1584, toen Groningen eiste dat de ingezetenen van Hunzingo en Fivelgo een kanaal moesten graven van Slochteren naar Noordbroek en Winschoten. Westendorp deelt mee, dat hij er de sporen nog van gezien heeft. Dat moet dan de Fingracht geweest zijn. (In de 17e eeuw is het plan uitgevoerd, maar niet meer over Slochteren. Toen groef men het Winschoterdiep.)

In de 17e eeuw begon ook de vervening in Slochteren. De keten van de arbeiders stonden in de omgeving van Froombos, dat bij ouden van dagen nog bekend is onder de naam van Bagelhutten. Er werd namelijk in Slochteren geen hoogveen afgegraven, doch laagveen gebaggerd, gelijk nu nog op geringe schaal geschiedt.

In 'f Malle-Kostersboek wordt op dit baggeren gezinspeeld (plm. 1696):

Nu moet ik 't smoddig volk,

ik meine de Torf Boeren,

Eens zoeken in het Veen,

wat tale dat die voeren.

Een ,.dikke zwarte nikker" kwam uit de baggerput; het was een „Veelse Poep".

Ook hier werkten dus de Velings als turfgravers.

De baggerturf werd per wagen naar Sappemeer gebracht en dan per schip naar de Stad. In 1765 werden de schepen te Martenshoek „gearresteerd", omdat er geen akkoord bestond. (H. A. Wijnne.)

In de loop der eeuwen is Slochteren met Kolham een staande heerlijkheid geworden in burgerlijke, kerkelijke en schepperijzaken van het huis Fraeylema; de heer was ook de voorzitter van het Woldzijlvest; tot 1795. Slochteren was het ontspanningsoord voor de stedelingen die er per rijtuig of per schuit heentogen naar het Hogehuis.

In 1823 werden de gemeenten Siddeburen, Slochteren en Harkstede samengevoegd. De toenmalige burgemeester van Slochteren, A. N. Dijkhuizen, kwam aan 't hoofd der nieuwe gemeente, hij bleef aan tot zijn dood in 1845. Zie Hooiland.

In Slochteren stonden ook nog twee börgen zonder heerlijke rechten, namelijk de Voorburg even ten O. van de kerk aan de weg en de Roelenbörg. Zie daar.