Grieksche en Romeinsche Oudheid

Woordenboek der Grieksche en Romeinsche Oudheid

Gepubliceerd op 18-06-2019

Augustus

betekenis & definitie

Augustus - Αὔγουστος, Σεβαστός, “de gewijde”, ons “Majesteit”, door de Romeinen afgeleid van augur, doch tevens in verband gebracht met augere, evenals de oud-duitsche keizers ook den titel van “Mehrer des Reiches” voerden. Deze titel werd aan C. Julius Caesar Octaviānus, nadat het volk hem reeds als Augustus had begroet, in het begin van het jaar 27 door den senaat plechtig toegekend, op voorstel van L.

Munatius Plancus, terwijl de keizer later bij testament zijne gemalin Livia tot Augusta verhief. De titel Augustus maakte den keizer tot een gewijd persoon en plaatste hem als het ware boven het overige menschdom. De titel ging daarna op de volgende keizers over, eerst bij senaatsbesluit, later vanzelf als iets wat bij de keizerlijke waardigheid behoorde.

Hij werd evenwel alleen door regeerende keizers gedragen, nooit door den vermoedelijken troonopvolger.—Over het leven van keizer Augustus zie men Julii no. 14.