Gepubliceerd op 21-09-2017

Peloponnesische Oorlog

betekenis & definitie

Peloponnesische Oorlog - Oorlog, met min of meer lange onderbrekingen gevoerd tussen Athene en Sparta van 431 tot 404 v.C. De eigenlijke oorzaak van het conflict tussen de twee grootste machten in de Griekse wereld van de 5e eeuw was de naijver van Sparta, dat met lede ogen de opkomst van Athene als imperium na de Perzische Oorlogen en vooral sinds Perikles zag. Daarbij streefden beide grootmachten, Athene als zeemacht en Sparta als landmacht, naar de heerschappij over Griekenland. Athene kon hierbij rekenen op zijn verbondenen en vazallen uit de Delisch-Attische Zeebond, Sparta van zijn kant op de belangrijkste staten van de Peloponnesos. Bij deze afgunst om het streven naar de hegemonie voegde zich nog de tegenstelling van de interne staatsregeling, die ieder bij zijn aanhangers propageerde, het democratische Athene en het aris- tocratisch-oligarchische Sparta.

De onmiddellijke aanleiding tot de oorlogsverklaring van Sparta aan Athene was de hulp van de laatste aan Korkyra in zijn strijd tegen Korinthos en de zaak van Potideia, dat als lid van de Zeebond was afgevallen. De Peloponnesische Bond besloot Korinthos zijn volledige steun toe te zeggen.

De vijandelijkheden verliepen in drie perioden. De eerste van 431 tot 421 v.C. was de Tienjarige of Archidami- sche oorlog. De Spartaanse koning Archidamos viel met een landleger Attika binnen, doch Perikles liet het aan de verwoesting over en trok de burgerbevolking binnen de veilige Lange Muren om Athene. Ondertussen teisterde de Atheense vloot de kusten van de Peloponnesos en hinderde aldus de bevoorrading van Sparta, omdat het zelf geen moeilijkheden voor eigen bevoorrading langs de Piraeushaven ondervond. Doch in de overbevolkte stad brak in 429 v.C. de pest uit. Een groot gedeelte van de bewoners werd er het slachtoffer van, o.a. ook Perikles, hetgeen het weerstandsvermogen van Athene wel verzwakte. Met slagen en tegenslagen verliepen de krijgsverrichtingen in het goede seizoen. In 425 slaagden de Atheners erin onder leiding van Kleon een Spartaans garnizoen op het eilandje Sphakteria tot overgave te dwingen en Pylos te bezetten. In 424 kregen de Spartanen weer de overhand. Brasidas zette zich vast in Chalkidikè, een belangrijk gebied in het imperium van Athene, en bezette Amphipolis. Kleon werd ter hulp gezonden, doch de beide aanvoerders, Brasidas en Kleon, sneuvelden in deze gevechten. Hierop kreeg Kleons tegenstander, Nikias, in Athene de vrije hand en kon hij met onderhandelen beginnen. Deze leidden tot de wapenstilstand van 421 v.C. bekend als de Nikiasvrede, door beide partijen gesloten voor vijftig jaren.

De tweede periode in deze oorlog was de vrede van Nikias. De beide partijen bleven evenwel elkaar argwanend bezien en weinig clausules van de overeenkomst werden nageleefd. De strijd laaide weer op in verschillende interessegebieden: Sparta behaalde een overwinning bij Mantinea in 418 v.C. op Argos, dat door Athene werd gesteund. In 416 annexeerde Athene het eiland Melos en zond in 415 een vloot naar Sicilië - op raad van Alkibiades, de neef van Perikles - om de graanschuur van Sparta te gaan veroveren. De tocht draaide uit op een totale mislukking; het werd een catastrofe waarvan Athene zich nooit meer volledig heeft kunnen herstellen, want het had alle krachten van de polis voor dit plan ingezet en niemand keerde daarvan terug. Alleen Alkibiades, beschuldigd in het proces wegens heiligschennis van de Hermesbeelden, was naar de Spartanen overgelopen.

In 413 begon de derde periode met de bezetting van Dekeleia door de Spartanen op raad van Alkibiades; men noemt deze periode de Dekeleïsche Oorlog. Met deze openlijke herneming van de vijandelijkheden kreeg Sparta de controle over geheel Attika. Toen Sparta ook van de Perzen goud aanvaardde om een vloot te bouwen, begon het er voor Athene bedenkelijk uit te zien. Steeds meer bondgenoten vielen af, o.a. Chios in 412 v.C. Het Atheense volk was een prooi van gewetenloze demagogen, die niet in staat waren deugdelijke maatregelen voor te schrijven. De Vierhonderd stelden in 411 v.C. een oligarchisch bestuur in, doch werden het jaar daarop reeds ten val gebracht. In 410 werd Alkibiades naar Athene teruggeroepen en weer verbannen. In 406 behaalden de Atheense vlootvoogden een laatste grote overwinning op de Spartaanse vloot bij de Arginuseneilanden, doch na hun terugkeer in de thuishaven werden ze voor de rechtbank gedaagd, wegens nalatigheid inzake begrafenis van de doden, ter dood veroordeeld en omgebracht. Daarna keerde het getij; Lysander, de Spartaanse bevelvoerder, versloeg de Atheense vloot vernietigend bij Aigos-Potamoi in 405 v.C. Dit was het begin van het einde. Sparta controleerde de graantoevoer uit de Hellespont, in 404 v.C. werd Athene tot volledige capitulatie gedwongen, na vijf maanden belegering, en werd tenslotte zelf ingenomen door een Spartaans garnizoen. Athene verloor al zijn bezittingen, zijn vloot werd op twaalf eenheden na uitgeleverd en de Lange Muren moesten gesloopt worden.

Gedurende enkele maanden voerden de Dertig Tirannen (Triakonta) een oligarchisch schrikbewind, tot de democraten in 403 terugkeerden en langzaam aan het herstel van Athenes macht begon.

Nawerking: Timon d’Athènes (1899), schildering van het leven in Griekenland tijdens de Peloponnesische Oorlog, toneelwerk door de Franse schrijver Emile Fabre (1869-1955).

< >