de bewoners van Duitschland, het duitsche volk. De D. zijn naar taal en geaardheid te onderscheiden in Hoogduitschers en Nederduilschers; de bewoners van die streken, waar beiden met elkander in aanraking zijn, en waar hun taaleigen en bijzondere landaard als het ware ineensmelt, worden menigmaal met den naam van Middelduitschers bestempeld.
Naar eene andere indeeling onderscheidt men vier typen, nl. het beiersche, het zwabische, het frankische en het saksiscbe. Hel beiersche type wordt weder gesplitst in een oostelijk onderdeel (Oostenrijkers en Tirolers) en in een westelijk onderdeel (Beieren). Het zwabische type herkent men in de Zwaben, Zwitsers en Alemannen; tot het frankische type behooren de Oostfranken in het Main-gebied, de Westfranken in den Rijnpalts aan denMoezel en aan den Beneden-Rijn, alsook de Vlamingen in de vlaamsche streken ; terwijl het Saksische type gevonden wordt bij de Opper-Saksen (Thuringen en het koningrijk Saksen), de Neder-Saksen (Hanover, Brunswijk, Westfalen) en de Friezen. Door eene eigene ‘nationaliteit hebben de Zwitsers, Vlamingen en Friezen zich reeds zoo goed als geheel van het duitsche element afgescheiden.
Wat de hoogduitsche tongvallen aangaat, onderscheidt men de volgende. De alemannische tongval, die de Vogesen en het Zwartewoud omvat tot beneden Straatsburg, zoomede het geheele duitsche deel van Zwitserland; die tongval is ook in het noordwestelijk gedeelte van Tirol te huis, uitgenomen het Iller- en Lech-gebied; en zij moet ook in de Gottschee de heerschende zijn. De zwabische tongval wordt gesproken aan de oostzijde van het Zwartewoud tot Pforlzheim, in het geheele Kocher- en Jaxt-gebied tot aan de Riesgau, en ten zuiden van den Donau zoo ver het Lech- en Iller-gebied reiken, aan het meer van Constans en aan het bovengedeelte van den Donau en van den Neckar. De beiersch-oostcnrijksche tongval is over verreweg de grootste uitgestrektheid heerschende, doch wordt weder onderscheiden in den eigenlijk echt beierschen, den tiroolschen, den saltzburg-opperoostenrijkschen,dennederoostenrijkschen en Weener, en den stiermarksch-carinthischen tongval. De opperpaltser tongval is de heerschende in het Nahe-gebied; de boheemsche in het gebied van den Boven-Beraunka en van den Eger (met uitzondering echter van het middelbergland); de oppersilezische wordt gesproken in het geheele Glatzer-bergland en in de landstreken van het Reuzengebergte en van het Iser-gebergte.
Onder de middelduitsche tongvallen heeft men de volgende te onderscheiden :
de frankische tongvallen, die zich weder laten splitsen in
opperfrankische (in het gebied van den BovenMain, tot aan Wurtzburg, de Regnitz en den BovenAltmühl), hennebergsche (in het Werra-dal, de Voor-Rhón, en het Coburgsche), nederfrankische (in de Rhön, den Spessart, aan den Middel-Main en in het Tauber-gebied), en pallser (in het noordelijk gedeelte van Baden, het Odenwald, de Mainvlakte en den Rijnpalts).
De middelrijnsche tongval wordt gesproken in Nassau, het Lahn-gebied, tot het Vogels-gebergte en de Rhön, en in Frankfort aan den Main.
De nederlotharingscke tongvallen zijn heerschende in de landstreek van Aken, in het Triersche, in het Luxemburgsche en in de Eifel.
Een geheel bijzondere tongval is ook de westerwaldsche. De tongval van de Boven-Lahn, Eder, Schwalm en Fulda, tot aan de Werra, is de nederhessische.
De thuringsche tongval splitst zich in dien van het Thuringer Woud, dien van het Ilm- en Unstrut-gebied, en dien van (het grootste gedeelte van) het Hartsgebergte.
De vogtlandsche tongval is de heerschende tusschen den Boveu-Elster, het Fichtelgebergte en het Frankenwald, met inbegrip van het Gera’sche in het noorden.
De opper Saksische tongvallen onderscheidt men in dien van het Ertsgebergte, in den Meissenschen (van de Wenden aan de Spree tot aan het Hartsgebergte, en van Wittenberg tot Chemnitz) en in dien van de Beneden-Saale, behoorende tot het Mansfeldsche en Anhaltsche.
De silezische tongval wordt gesproken boven Guben en Züliichau, tot aan den voet der Sudeten en tot aan poolsch Opper-Silezië en den wester-rand van Silezië.
De nederduitsche tongvallen zijn:
De brandenburgsche, iet of wat verschillend gesproken in de Priegnitz, Mittelmark, Uckerraark en Neumark (tot aan de Boven-Rega en tot aan de Draga in het oosten).
De pommersche tongval behoort tot Achter-Pommeren, het land ten zuiden van het Haft', de Haff-eilanden, benevens westelijk Rugen en de kuststreek van Straalsund en Greifswald; van dezen zoogenaamden platten (of breeden) tongval, onderscheidt men den ronden in oostelijk Rugen.
De westpruisische tongval is de heerschende van de Neumark en den pommerschen landrug af tot aan gene zijde van de Èlbing, althans voor zoo ver hij niet door poolsche elementen is verdrongen.
De oostpruisische (of oud-pruisische) tongval heeft het gebied van de Passarge, de Alle en den Beneden-Pregel, grenst in het oosten aan het Litthausch, en in hel gebied der Drewentz en dergroote meren aan het Masurisch.
Van de Havel westwaarts, in de Altmark en tot aan het Brunswijksche en den Harts, is de maagdenburg-altmarksche tongval de heerschende;
in geheel Mecklenburg, Holstein en Sleeswijk, tot aan de Boven-Haase en tot aan de Weser, heerscht de nedersaksische (de grootste van al de nederduitsche tongvallen);
in het land der Ems, der Lippe en Roer, en de zich daarin ontlastende rivieren, van de hoilandsche grenzen tot aan de Weser, nog beneden Minden, heerscht de westfaalsche tongval;
en de nederrijnsche van den oorsprong der Erft tot benoorden Wezel, met inbegrip van de Wipper en de Beneden-Roer.
De friesche tongval heerscht op de noordwestkust, van de Zuiderzee tot aan de uitwatering van de Weser, op Helgoland en op de eilanden aan de westkust van Sleeswijk. Het echte Friesch wordt enkel nog gesproken in de nederlandsche provincie Friesland.
In de Nederlanden heerscht de hoilandsche tongval in het westen (d. i. Noord- en Zuid-Hoiland en Zeeland); in het noordoosten de overijselsche tongval, en de geldersche tongval in het overige oostelijk gedeelte.
Hoofdzakelijk in de landen van Vlaanderen en in Znid-Braband heerscht de vlaamsche tongval. Vooral de hollandsche tongval heeft zich ontwikkeld tot eene zelfstandige taal, namelijk het Nederlandsch, dat in het gansche koningrijk der Nederlanden de olficiëele en beschaafde taal is geworden, en waarmede het evenzeer tamelijk zelfstandige Vlaamsch zich meer en meer samensmelt.