Geographisch- historisch woordenboek

Servaas de Bruin, D. Noothoven van Goor (1869)

Gepubliceerd op 21-10-2021

Beeldstormerij

betekenis & definitie

1) De B. of wering van beelden uit de kerken speelt in de kerkehjke geschiedenis eene belangrijke rol. Reeds in de 4e eeuw waren de Christenen begonnen hunne kerken te versieren met de beelden van martelaren en heiligen, welk gebruik meerenmeeralgemeen werd, terwijl men tevens,bij wijze van eerbetoonjegensde nagedachtenis van die heiligen en martelaren, voor hunne beelden lampen en kaarsen begon te branden; vervolgens begon men ze te bewierooken, en het duurde niet lang of vele geloovigen gingen met deze beelden-sereering nog verder, zoodat het Christendom op dit punt hier en daar sterk naarheidensche afgoderij begon te rieken.

Wel verhieven verscheidene verstandige bisschoppen daartegen hunne stem, zoowelin de westersche (Roomsche) als in de oostersche (Grieksche) Kerk, maar het eenmaal ingeslopen misbruik was niet meer uit te roeijen. Krachtiger maatregelen werden daartoe intusschen noodig dooide opkomst (begin 7e eeuw) en snelle uitbreiding van het Mahomedaansche geloof. Keizer Leo 111 (bijgenaamd isanricns, d. i. de Isaurier)),die 716—741 regeerde, vaardigde in 726 een streng verbod tegen de beeklen-vereering uit, en liet 730 uit alle kerken de heelden verwijderen. Doch deze maatregel gaf in het Oosten aanleiding tot eenen bloedigen oorlog, die ook naar Italië oversloeg, waar de pausen Gregorius H en 111 de heelden-vereeringinbescherming namen, terwijl de opvolgers van keizer Leo III, namelijk Constantijn V en Leo IV, die in het Oosten bleven verwerpen. Laatstgenoemde keizer (Leo IV) werd echter door middel van vergif van kant geholpen door zijne gemalin Irene, die nu in de oostersche kerken de beelden-vereering weder toeliet, terwijl die door het 8e concilie van Nicea op nieuw werd bestendigd, bij welk concilie tevens de tegenstanders der beelden-vereering verklaard werden te zijn ketters en scheurmakers in de Kerk. Dit belette echter niet, dat er onder keizer Leo V (bijgenaamd Armenus, d. i. do Armeniër), die van 813 tot 820 regeerde, op nieuw eene B. plaats greep, en evenzoo onder Theophilus, die van 829 tot 842 op den keizerlijken troon zat; in laatstgenoemd jaar (842) werd de beelden-vereering door keizerin Theodora weder in de oostersche Kerk toegelaten. In de westersche Kerk was laatstelijk aan de tegenstanders het zwijgen opgelegd door het concilie van Parijs (824), waarbij bepaald werd, dat er wel beelden in de kerken geplaatst, maar dat aan dezelve geen goddelijke vereeringen bewezen mogten worden.2) De latere B. of vernieling van beelden in de kerken, zoo vaak op rekening gesteld van het Protestantismus, was integendeel niet anders dan een baldadige stormloop van het gepeupel, dat bezield was met eene door niets te beteugelen zucht om te vernielen. Dat die geest van het gespuis en van het domme fanatismus niet de geest was van de Hervorming, is door talrijke onweerlegbare voorbeelden te bewijzen.

Zoo, toen Luther zich op den Wartburg bevond, verwekte Carlstadt eene B. te Wittenberg, hetgeen Luther noopte onverwijld naar Wittenberg terug te keeren; en door zijnen magtigen invloed werd de vernieling van zoo vele kostbare kunstschatten belet. Men leide echter niet hieruit af, dat niet hier en daar domme geloofs-ijver, blinde dweepzucht de hand heeft gehad in de B.; maar wanneer wij nagaan, dat de Prins van Oranje, de Graaf van Egmond en verscheidene andere mannen van gezag de beeldstormers als kerkschenders lieten vervolgen, in hechtenis nemen en ophangen; dat overigens de B. in Zeeland en Holland en de noordelijke provinciën van ons Vaderland zich op verre na niet kenmerkte door die verwoedheid, waarmede die plaats greep in alle brabandsche en vlaamsche steden (Brussel alleen uitgezonderd), zoodra daarmede 1566 in Antwerpen een begin was gemaakt,en men bedenkt daarbij, dat juist in Braband en Vlaanderen de Hervorming zoo weinig wortel schoot, dat dit gedeelte der Nederlanden bij den vrede van Munster in 1648 evenzeer voor Rome als voor Spanje behouden bleef, dan moet men ziendeblind zijn om de B. als het werk van het Protestantismus te beschouwen het Protestantismus was het masker, maar het misnoegde en breidellooze gepeupel was de ware dader.

< >