Geographisch

Geographisch-woordenboek

Gepubliceerd op 21-10-2021

Anhalt

betekenis & definitie

een der oudste duitsche vorstenhuizen bestaat uit de drie hertogdommen A.-Bernburg, A.-Uessau en A.-Kothen, welke beide laatsten sedert 1853 met elkander vereenigd zijn. Ze beslaan gezamentlijk eene gronds-oppervlakte van ruim 46 vierk. mijlen met circa 176,000 inw., waarvan te stellen zijn op A.

Bernburg 15 vierk. mijl met 56,000 inw., en A.-üessau-Kothen 31 vierk. mijl met circa 120,000 inw. Het oostelijk gelegene hoofdgedeelte des lands ligt aan weerszijden van de Elbe, en is rondom ingesloten door Pruisen; een westelijker gelegen, geïsoleerd gedeelte ligt aan en op de oostelijke helling van den Beneden-Hartz. Be voornaamste rivieren zijn Elbe, Mulde en Saaie met de Wipper, Bode en Selke. Het hoofdgedeelte is vlak, slechts in het noordoosten zandig, heeft overigens een vruchtbaren grond, van welken tarwe, beetwortel, rapen, ooft, enz. worden gewonnen; het kleinste gedeelte, meest bergachtig, levert zilver, koper, ijzer, loodglid, spiesglans, enz. De veeteelt is aanzienlijk; voortbrengselen der nijverheid zijn voornamelijk suiker, gegoten metaal, wollen en linnen stoffen, leder, aardewerk, enz. De bevolking, hier opgegeven naar de telling van 1858, bestaat hoofdzakelijk uit belijders van de evangelische confessie;in 1855 telden de drie hertogdommen te zamen slechts 1100 Roomsch-katbolieken en 2680 Joden. De staatsregeling was tot 1848 zuiver monarchaal. De voornaamste steden zijn in A.-Bernburg; Bernburg, Ballenstedt, Coswig, Hartzgerode, Gernrode en Hoym ; in A.-Dessau: Dessau, Zerbst, Jesznitz en Oranienbaum; en in A.-Kóthen : Kothen of Cóthen, Nienburg, Güsten en Roszlau.Wat de geschiedenis van Anhalt betreft, wordt als erkende stamheer van het geslacht A. beschouwd Esico van Ballenstedt, omstreeks het jaar 940 bezitter van aanzienlijke allodiën tusschen de rivieren Elbe en Saaie. Een zijner afstammelingen, g>aaf Otto, bijgenaamd de Rijke, een korten tijd onder keizer Hendrik V hertog van Saksen, noemde zich eerst graaf van Ascanie, zag zijne familie-goederen aangroeijen met een gedeelte der billungsche familielanden als erfdeel van zijne vrouw Elike, hetgeen tot langdurige twisten aanleiding gaf tusschen het ascanische en het guelfische Huis. Zijn zoon Albrecht, bijgenaamd de Beer, die 1134 den Lausitz en de marke Soltwedel bekwam, en na gelukkige oorlogen met de Wenden de eerste markgraaf van Brandenburg werd , verwierf daarna nog Plótzkau, Orlamunde en aanzienlijke goederen in Thuringen. Na zijnen dood (1170) bekwam eerst Albrecht, en daarna Albert de familie-landen en de aan de Slaven ontweldigde districten langs het middelste gedeelte der Elbe. Vervolgens, nadat Hendrik de Leeuw van zijne goederen ontzet was, ook met een gedeelte van diens landen beleend, nam hij den titel aan van hertog van Saksen. Van zijne twee zonen ontving de jongste (Albrecht) Saksen, de oudste (Hendrik) de van oudsher in de familie geweest zijnde landen, die sedert onder den naam van Anhalt (of Anhaltinische ofAnhaltijnsche landen) als bezitting van eene afzonderlijke dynastie bijeen bleven. De drie zonen van Hendrik, met name Hendrik II, Bernhard en Siegfried, werden 1251 de stichters van de Ascherslebener, oude Bernburger en Zerbst-Dessauer linie, van welke de eerste 1315, de tweede 1468 uitstierf, terwijl de derde, nadat de Zerbster tak daarvan in 1526 uitgestorven was, in den üessauer tak voortbloeide en 1570 onder Joachim Ernst, den grondlegger der oude staatsregeling met lands-stenden, weder al de Anhaltijnsche landen vereenigde. Na zijnen dood (1586) had er op nieuw eene deeling plaats. Joban Georg, de oudste van zijne zonen, bekwam Dessau; Christiaan, de tweede zoon, ontving Bernburg; aanRudolf,den vierden zoon, werd Zerbst toegewezen, en aan Lodewijk, den vijfden zoon, Kothen. De derde zoon August had voor 300,000 thalers van zijn afzonderlijk aandeel afstand gedaan, behoudens een beding, krachtens hetwelk zijne erfgenamen reeds in 1665 in de plaats traden van de toen uitgestorvene Kothensche linie. Van deze 4 linien stierf de Zerbster, uit welke Catharina II van Rusland afstamt, in 1793 uit met Fredenk August, waarop het land 1797 onder de overige drie verdeeld werd. In het laatst der 16e eeuw gingen de vorsten van Anhalt, onder wie zich in dat opzigt inzonderheid Wolfgang en George (gest. 1553) onderscheidden, tot de gereformeerde Kerk over; in 1635 werd het senioraat, en omstreeks de helft der 17e eeuw het eerstgeboorteregt ingevoerd. In 1806 bekwam A.-Bernburg de hertogelijke waardigheid; alle 3 de Huizen, terwijl ook Köthen en Dessau den herlogelijken titel aannamen, traden 1807 toe tot den Rijnbond, 1814 tot den Duitschen bond, en vervolgens (1825 Rernhurg, 1826 Kothen, 1828 Dessau) ook tot het Tolverbond of Zollverein. In 1836 werd de Huisorde van Albrecht den Beer ingesleld.