Funerair Lexicon

Encyclopedisch woordenboek over de dood (2002)

Gepubliceerd op 31-05-2017

2017-05-31

Edda

betekenis & definitie

Een zoon, die leeft, schoon laat geboren, is 't best voor een vader die viel: er staat langs de weg geen steen op een graf, als een verwant die niet opricht'.' Oorspronkelijke naam van een 'Leerboek der Poëzie', geschreven door de ijslandse diplomaat en geleerde Snorri Sturluson (1178-1241). Het woord Edda zelf is niet verklaarbaar.

Snorri Sturluson behandelt zijn stof aan de hand van de oud-germaanse mythologie, die in de Noorse landen en IJsland nog rijkelijk voorhanden was. De Edda bevat twee soorten gedichten namelijk godenliederen en heldenliederen. De samensteller van het handschrift is met grote zorgvuldigheid te werk gegaan, allereerst door een vernuftige ordening van de gedichten. Voorop plaatst hij de godenliederen; daarna laat hij de heldenliederen volgen. In elke afdeling schept hij orde; in de eerste groep door de gedichten te rangschikken naar de goden die daarin een rol spelen en in de tweede groep naar de heldensagen die zij behandelen.

Het lezen van de soms ellenlange gedichten is niet gemakkelijk. De ene keer is het spot, dan humor en vaak bittere ernst. Uit alles blijkt een sterk psychologisch inzicht in het toch uiterst gecompliceerd bestaan van onze voorouders. Enige kennis van de germaanse godenleer is wel een noodzaak om elk gedicht te kunnen begrijpen, aangezien niet alles met naam en toenaam wordt aangeduid. Het is geen dodenboek in de strikte zin van het woord, doch de dood speelt in de Edda een grote rol. Veel van de in de Edda vermelde gebruiken rond sterven en begraven vinden wij in latere eeuwen gekerstend terug. Door een gelukkig toeval is het handschrift bewaard gebleven, al is het niet volledig. In het midden ontbreekt een vel van acht bladen waarop enige heldenliederen waren geschreven. Dit koninklijk manuscript (Codex Regius), geschreven in de eerste helft van de dertiende eeuw, werd in de zeventiende eeuw door de ijslandsebisschop van Skáholt ontdekt en naar Kopenhagen gezonden. In 1971 werd het overgedragen aan de Universiteit van IJsland.