Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Gepubliceerd op 02-04-2021

Kalf

betekenis & definitie

s.n., keal (it), pl. k e a l l e n; — van een vaars, rierskeal (it); — voor de aanfok, oansetterskeal (it); nuchter — nochteren keal; — dat gedurende de winter op stal staat, hoklingskeal (it); misgeborenin abnormaal veel vruchtwater, wetterkeal (it); de kalveren drinken geven, kealleboarne; (dwarshout in deurkozijn), kalf (it).