Frans woordenboek (FR-NL) 1950

Dr. F.P.H. Prick van Wely

Gepubliceerd op 13-07-2022

Plat

betekenis & definitie

I. plat, effen, vlak; platboomd; sluik [v. haar]; gemeen, laag; alledaags, banaal, laf; soulier plat, schoen zonder hak; vaisselle plate, gouden (en zilveren) vaatwerk; vin plat, verschaalde wijn;

II. ’t vlakke; ’t platte (gedeelte); plat [v. degen, boek]; blad [v. roeispaan]; schaal, schotel; gerecht, gang; bak; plat à barbe, scheerbekken; un bon plat de farceurs, een fijn stelletje grappenmakers; un plat de verre, een glasplaat; faire plat avec qn., samen eten met iem.; faire du plat à qn., iemand lekker maken, voor iem. kruipen; iemand het hof maken; en faire un plat, er ophef van maken; mettre les petits plats dans les grands, „uithalen” [bij ’t hebben van gasten]; servir à qn. un plat de sa façon (de son métier), iemand een lelijke poets bakken; à plat, plat; camarade de plat, baksgast, -maat.