Frans woordenboek (FR-NL) 1950

Dr. F.P.H. Prick van Wely

Gepubliceerd op 13-07-2022

En

betekenis & definitie

I. in, naar, tot, aan, bij, te, over, van, met, uit, als; plaats: en France, in Fr., naar Fr.; en mer, op zee; de maison en maison, van huis tot huis; j'ai fait ce qui est en moi, ik heb gedaan wat ik kan; tijd: en un an, in een jaar; en hiver, ’s winters; toestand: en fer, ijzeren, van ijzer; teindre en vert, groen verven; agir en père, als een vader handelen; en femmes, j'ai vu..., aan vrouwen heb ik gezien...; met gérondif: (tout) en chantant, al zingende, onder het zingen, door te zingen; tout en chantant, il est triste, al zingt hij, toch is hij bedroefd;

II. er vandaan, weg; il en vient, hij komt er vandaan;

III. er van, er over, er om; il n' en a pas, hij heeft er geen; en a-t-il, du culot!, wat ’n lef!; c’ en est assez, ’t is genoeg; l’occasion ne s’en est pas présentée, de gelegenheid daartoe heeft zich niet voorgedaan; il en meurt, hij sterft er aan; j’en suis content, ik ben er tevreden over; je ne m’en tairai point, ik zal er niet over zwijgen; consultez-en votre mère, raadpleeg er uw moeder over; ce n’en est pas moins vrai, het is niettemin waar, toch is het waar; il n'en deviendra pas plus sage, hij zal er niet wijzer door worden; j'en ai oublié de prendre congé, ik heb daardoor vergeten afscheid te nemen; zie verder de verbindingen met en.