Filosofisch woordenboek

Paul Frentrop - Voor rede vatbaar

Gepubliceerd op 21-09-2020

Ergdenkendheid

betekenis & definitie

Geneigd zijn om bij anderen kwalijke bedoelingen te veronderstellen. Dat is ergdenkendheid.

Die eigenschap is ‘geteeld uit wroeging, wrok en spijt’.1 Het schijnt een symptoom te zijn van ouderdomsdepressie en wij zien inderdaad de argwanende, achterdochtige oudere voor ons ergdenken. Onder broers komt het ook veel voor, zoals bij Gerard van het Reve jegens zijn broer Karel. En Vincent van Gogh schreef aan zijn broer Theo: ‘Of ge ergdenkend zijt of niet kan me niets schelen. Ik ben vastbesloten vierkant te spreken.’ Misprijzen en wantrouwen zijn woorden die bij ergdenkendheid horen. Het past bij de mentaliteit van boeren, van dorpelingen. Napoleon bezag het van de andere kant: ‘Vermoed geen kwade opzet achter iets dat ook uit domheid kan worden verklaard,’ was zijn motto.En John Locke heeft uitgelegd wat het verschil is tussen domheid, het denken van een dwaas, en waanzin, het denken van een gek. De dwaas redeneert onjuist op basis van juiste aannames. De gek redeneert correct, maar hanteert de verkeerde veelal absurde aannames. Met beiden moeten wij voorzichtig omgaan, maar dat is nog geen reden tot ergdenken.

Het tegenovergestelde van ergdenkendheid is welwillendheid. Positief gestemd zijn jegens anderen. Heel verstandige mensen prezen welwillendheid aan als de beste levenshouding, uiteenlopend van de vriendelijke David Hume (Zie: Filosofie) tot de stijve Pruisische conservatief Generalfeldmarschall Helmuth von Moltke, die aan zijn vrouw schreef: ‘Freundlichkeit gegenjedermann ist die erste Lebensregel, die uns manchen Kummer ersparen kann.’ Wat hem er overigens niet van weerhield om Frankrijk binnen te vallen.

1 Uit een gedicht over Jacoba van Beieren die niet zwichtte voor lage dwingelandij.