Zaaitaal betekenis & definitie

Sommige televisiemakers hebben veel invloed op het taalgebruik, met name op het taalgebruik van jongeren. Zo hebben in het verleden Sjef van Oekel, Van Kooten en De Bie, Theo en Thea en de makers van Jiskefet allerlei woorden en uitdrukkingen in omloop gebracht. In 2003 meldde de Volkskrant het bestaan van Zaaitaal, taalgebruik zoals dat vier seizoenen lang te horen was in het VPRO-kinderprogramma Zaai, geregisseerd door Rachel van Olm. ‘Het is vooral het taalgebruik,’ schreef de Volkskrant op 2 januari 2003, ‘dat de serie tot een hit maakt. Twee meiden op een hek in een leeg weiland, een postbode die de saaie dagen moet opfleuren en een conversatie in lijzig accent. Niet, zoals vaak gesuggereerd, van Terschelling geïmporteerd. Het is gewoon de uitspraak van “stedelingen die noorderlingen nadoen”, aldus Van Olm.’

Voorbeelden van Zaaitaal, die vooral onder studenten populair zou zijn, zijn volgens de Volkskrant onder meer dáárom, hoe dát?, ’t is een merakel en vooral het langgerekte hohoi. ‘Tekstschrijver Paul Groot’, aldus de krant, ‘introduceerde tal van nieuwe uitdrukkingen, die volgens Van Olm vooral bij diens moeder vandaan komen: tutfiepen, blunderpap, vermikje, woeiewaai.’

Van die laatstgenoemde woorden kom je vooral tutfiepen met enige regelmaat tegen, in de uitdrukking zit niet te tutfiepen. In plaats van Zaaitaal spreekt men ook wel van Zaais. Eén voorbeeld uit NRC Handelsblad: ‘Zaai, een serie met cabaretduo Plien en Bianca en acteur Joep Onderdelinden, is meer dan leuk. Zaai is verslavend. Wie nu nog niet kijkt, loopt hopeloos achter. Zelfs in een gezelschap van uitsluitend volwassenen kan het gebeuren dat iedereen losbarst in Zaais.’

Vergelijk Breezertaal, Engafrikaans en insliktaal