Ewoud Sanders woordenboeken

Ewoud Sanders (2019)

Gepubliceerd op 11-02-2019

smeris

betekenis & definitie

politieagent

Omstreeks 1800 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, samengesteld uit de processtukken van de zogenoemde Brabantse Bende, in de vorm smeer en met als betekenis ‘ijder persoon die op schildwacht moet staan’. Vervolgens in 1844 aangetroffen in de Algemeene Konst- en Letterbode in de uitdrukking zij staan smeris voor ‘zij staan op de uitkijk’. Smeris komt in deze tekst ook voor in de betekenis ‘wachter, oppasser’. Via het Jiddische sjemiere ontleend aan het Hebreeuwse sjemiera, beide voor ‘wachter’ en ‘bewaking’. Ook aangetroffen als smieris en smeres.

Aanvankelijk werd smeris vooral gebruikt voor de crimineel die de uitkijk hield -- die op smeris stond. Vervolgens zien we smeris voor de overheidsdienaar die een oogje in het zeil houdt, voor de ‘politieagent’ dus. In die betekenis is smeris in 1887 voor het eerst opgetekend, in De Amsterdammer, in een onderschrift bij een spotprent van Johan Braakensiek waarop we een beschonken matroos op straat een agent zien aanhouden met de tekst: ‘Zeg ereis smeris! Ken jij de drankwet, ouwe jongen!’

Smeris had een negatieve bijklank, zo schreef Justus van Maurik in 1899 in het tijdschrift Eigen Haard, in een reportage over een huldeblijk aan de Amsterdamse politie:

Het ambt van agent is nog altijd bij het volk geen geëerde betrekking en als een man of vrouw uit de volksklasse zelf geen permetasie [familie, relaties] bij de pelisie heeft, klinkt het met een soort van minachting: ‘agent, diender, smeris! ik zou nog liever!’; maar toch kan men tegenwoordig, dank zij de betere organisatie van ons politiewezen en het degelijker gehalte der agenten, langzaam aan meer respect voor hen constateeren en zegt de volksmond: ‘Vroeger was ’t meer dollen met de pelisie, weet je? maar tegenwoordig verstaan ze geen gekheid meer, ze maken meenes. De agenten benne beleefder en netter dan vroeger, maar ze rukken je steviger in ook en die ouwe kereltjes, die je met je pink omgooide bennen d’r allemaal uit; ’t zijn nou jongens met vermogens in d’r handen!

Aan het begin van de 20ste was de gevoelswaarde van smeris zelfs onderwerp van een rechtszaak. Hierover schreef F.A. Stoett op 5 november 1905 in De Amsterdammer:

Naar den oorsprong van het woord is dus ons smeris in geen enkel opzicht beleedigend, daar het juist uitdrukt, wat de agent in de eerste plaats moet wezen, een wachter. Maar de waarde der woorden wordt niet bepaald door de afkomst, doch door het gebruik, en ik kan me daarom best voorstellen, dat het Hof te Amsterdam, een vonnis van de Haarlemsche rechtbank vernietigend, smeris voor een beleedigende uitdrukking verklaarde, tenminste in den mond van een beschaafd man.

Smeris is in diverse samenstellingen aangetroffen, waaronder hondensmeris (1948), knolsmeris (1905, ‘bereden agent’), knopknolsmeris (1905, ‘bereden brigadier’), knopsmeris (1905, ‘brigadier’), stadsmeris (1978) en zoutwatersmeris (1994); plus natuurlijk in scheldwoorden als rotsmeris en kutsmeris.

• ‘Wachte jullie nog effe; d’r staat ’n smeris vlak voor de steeg’, doet de waardin slaperig. ¶ Job Steynen, In en om de nachtkroeg (1905), p. 64
• Alleen als er ‘Ju...!!’ geroepen werd, werden spel en strijd gestaakt. Dan kwam er een smeris om den hoek. Nog met de scheldwoorden in den mond stonden wij zoetjes op een hoopje. ¶ Piet Bakker, Jeugd in de Pijp (1948), p. 43
• Ik luisterde met innig vermaak naar de sappige dialoog. ‘As die smeris er niet bai stong’, ging de man voort, ‘dan mieterde ik jou met je hele bokkewage de majem in’, en daarbij wees hij op de Brouwersgracht. ¶ K. Groen, Kamer 13 (1951), p. 82

< >