Ewoud Sanders

Journalist, taalhistoricus, trainer

Gepubliceerd op 07-02-2017

Slokje

betekenis & definitie

Net als bijvoorbeeld neutje behoort slokje tot de tien bekendste en wijdst verbreide borrel namen. Waarschijnlijk behoort hij zelfs tot de top drie. Uit dialectonderzoek uit de jaren tachtig blijkt dat het woord vrijwel overal in Nederland en Vlaanderen bekend is. Het is daarom in talloze dialectwoordenboeken opgenomen, in evenzovele vormen. Zo zegt men in Noord-Brabant slukske, in Drenthe slokkien, in het Fries stukje en in Limburg sjtukske - om er maar een paar te noemen.

Tegenwoordig lijkt deze borrel naam het meest voor te komen in West-Vlaanderen, Drenthe, Zeeland en Overijssel. Slokje wordt sinds het eind van de 18de eeuw gebruikt voor 'klein glaasje sterke drank'. Het gaat terug op slokken 'gulzig slikken'. Het woord is - hoe kan het ook anders - in zeer veel literaire bronnen terug te vinden. Zo schreef A. Fokke Simonsz. aan het begin van de 19de eeuw: Zie, daar ontstond een hevig huis krakeel [...], toen hij eens, een weinig beschonken van de jagt te huis kwam, waar hij een slok- je te veel voor de koude voeten geslobberd had. Justus van Maurik gebruikte het woord in 1897 in Amsterdam bij dag en nacht.

Uit de mond van Leen, de eigenares van 'De Kemphaantjes', indertijd een beruchte dieven kroeg op de Nieuwmarkt, tekende hij op:Zie je, mijn man was 'n goeie lummel, maar as ie 'n slokkie op- had, was ie 'n duvel. En Willem van Iependaal schreef in 1956: Een man, een oude marine klant, die meer van een slokkie dan verhuizen hield, liet het verkassen naar een andere woning aan z'n vrouw over. Het slokje kwam terecht in borrel namen als morgen slokje (1804), slokje tegen de dorst en oranje slokje (een bepaalde borrel die op prinsjesdag werd gedronken). 'Jenever met suiker' werd in de 19de eeuw wel zoet slokje genoemd. In West-Friesland kent men een slokkie-ophaalder, dit is 'iemand die al dan niet uitgenodigd een borreltje komt drinken'.

In Nederlands-Indië werd een 'clandestiene jenever verkoper in de kampong' in de 19de eeuw slokkiesboer genoemd. Het slokje komt ook in veel uitdrukkingen voor. De grootste i9de-eeuwse verzameling kent onder meer: hier een slokje, daar eenjleschje, zoo raakt men zijn boeltje kwijt; die zijnen mond gesloten houdt, kan geene slokjes krijgen, als daar wat te lepperen komt en het scheelt wel een slok op een borrel 'dat maakt een heel verschil'. Laatstgenoemde werd in het Afrikaans overigens dat scheelt een slok op een bottel. Uit 1874 dateert het volksrijmpje: Ik breek mijn zwavelstokje In tweeën naar mijn zin, Opdat ik dus een slokje Door al mijn sparen win. Het slokje is - tot slot - ook uitgeleend aan andere talen. Het kwam in het Afrikaans terecht als slukkie en in het Indonesisch als sloki of slokki. Buitenlandse tegenhangers zijn: in het Engels swallow of swig, in het Frans gorgée of lampée, en in het Duits Schluck.