Ewoud Sanders

Taalhistoricus en journalist.

Gepubliceerd op 11-02-2019

sjoege

betekenis & definitie

begrip, kennis, verstand

Omstreeks 1860 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, opgesteld door M. Verwoert, indertijd directeur van een gevangenis te Utrecht, in de verbinding sjoege stieken (stieken is ‘geven’) voor ‘inprenten’. Vervolgens in 1906 opgenomen in De Boeventaal van Köster Henke, als sjoeche voor ‘begrip, verdenking, vermoeden’ en als sjoechem voor ‘antwoord, bescheid’. Bij dit laatste geeft Köster Henke als voorbeeldzin: ‘Ik kreeg geen sjoechem.’ Via het Jiddische tsjoewe ontleend aan het Hebreeuwse tesjoeva, beide voor ‘antwoord’. Men zei (en zegt) geen sjoege geven voor ‘zich gedeisd houden, niet reageren’ en ergens (geen) sjoege van hebben.

• ‘Kedin, nie deurslaan [bekennen], gladde vogel, geen sjoege geve!’ ¶ Is. Querido, Mooie Karel (1925), p. 123. De schrijver verklaart de betekenis (‘doen alsof je niets merkt’) in een voetnoot.
• ‘Wat se in de krante d’r over schrijve, da’s knudde; se hebbe d’r met mekaar geen sjoege van gegete.’ ¶ Benno Stokvis, De moord in de Spuistraat (1926), p. 16
• ‘As je een ander staat te dekke, mot je flink je doppe gebruike en is er een smeris in de buurt, dan mot je piepe en zelf net doen, of je nergens sjoeche van ’eb.’ ¶ Anne de Vries, Jongens van de straat (1934), p. 88