plakken betekenis & definitie

aanhouden, arresteren, gevangen nemen

In deze betekenis in 1901 voor het eerst aangetroffen, in een literaire tekst. In 1948 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, Boeven-Jargon van Henry Roskam. Een ‘politieagent’ werd onder zwarthandelaren wel een plakker genoemd, aldus Roskam.

• Ja, ’t is eeuwig stom van ’m geweest, dat ie toen-der-tijd die groenboer een gons [een steek] heit gegeve en dat ie, toen ie geplakt was, dadelijk omsloeg. ¶ Justus van Maurik, Toen ik nog jong was (1901), p. 176. De schrijver verklaart de betekenis (‘gevangen’) tussen haakjes.