Pils betekenis & definitie

(1884, uit het Duits) licht bier

Op enkele tientallen kilometers ten noordoosten van Beieren ligt de Tsjechische stad Plzen, die in het westen vooral bekend is onder de Duitse variant van haar naam: Pilsen. Het nieuwe Tsjechië neemt ruwweg de plaats in van het oude Bohemen, dat in de 9de eeuw deel uitmaakte van het koninkrijk Moravië.

Daar begon men in die tijd met de verbouw van hop, het voornaamste bestanddeel van bier. Boheemse hop was van uitzonderlijke kwaliteit en werd al snel uitgevoerd. Ook brouwde men er ter plaatse bier van. De Bohemers zelf behoorden tot de grootste afnemers en hun drankzucht was vermaard.

Om een eind te maken aan dit drankmisbruik verbood de bisschop van Praag op een gegeven moment het brouwen van bier, op straffe van excommunicatie. Bohemen ging een periode van nationale dorst in. In de 13de eeuw wist koning Wenceslaus van de Heilige Vader gedaan te krijgen dat hij het brouwverbod introk. Wel stelde Wenceslaus hier een ander verbod voor in de plaats: hij verbood de uitvoer van Boheemse hop, op straffe des doods.

In het begin van de 19de eeuw produceerde Pilsen hooggegist bier, maar de brouwers waren niet tevreden over de kwaliteit ervan. Omdat Beierse bierbrouwers belangrijke verbeteringen hadden aangebracht in de zogeheten lage-gistingtechniek, besloten ze in Pilsen over te gaan op laaggegist bier. Zij bouwden een nieuwe brouwerij, die in 1842 werd geopend. Er werd goudgeel bier gemaakt, met een alcoholpercentage van zo'n 5 procent en een opmerkelijke, bittere hopsmaak.

Het bier werd opgeslagen in eiken vaten, bekleed met Canadese hars, en te rijpen gelegd in enorme zandstenen kelders. Het nieuwe bier sloeg in als een bom. Omstreeks 1850 was het Pilsener bier al verkrijgbaar in Praag, Marienbad en Karlsbad. In 1856 bereikte het Wenen, dat spoedig een van de grootste markten werd. München, Berlijn, Londen en Parijs volgden. In 1863 kreeg het bier een onderscheiding op de internationale tentoonstelling in Hamburg en tegen 1870 was Pilsener een begrip in heel bierdrinkend Europa. In diverse grote steden waren gelegenheden waar uitsluitend Pilsener werd getapt.

In Nederland werd het bier omstreeks 1870 in produktie genomen door de jonge Gerard A. Heineken. Die had op z'n 22ste een in slaap gesukkelde Amsterdamse brouwerij opgekocht, die hij naar het centrum van Amsterdam verplaatste. Overigens noemde Heineken het bier niet Pilsener, maar Heineken's Beiersch. De bierdrinkers spraken echter al snel van pilsener of pilsner en vervolgens kortweg van pils of pilsie.

Voor de stad Pilsen had de internationale opmars van het nieuwe bier grote gevolgen. Met de brouwerij groeide de stad als kool. In 1836, een paar jaar voor de opening van de nieuwe brouwerij, telde Pilsen 8.000 inwoners. In 1867 waren dat er 22.000, in 1880 47.000 en in 1906 68.292. Omstreeks de eeuwwisseling bedroeg de export van het lichtgele bier jaarlijks ruim 800.000 hectoliter.

Toen ook andere brouwers hun laaggegist bier Pils of Pils(e)- ner noemden, voegden de Tsjechen het Duitse woord Urquell 'oorspronkelijke bron' aan de naam toe. Het mocht niet baten. Nog voor de eeuwwisseling werd pils ervaren als een soortnaam. Tot een paar jaar geleden voerden de Tsjechen processen om het alleenrecht op deze naam te verkrijgen, maar zonder succes: daarvoor was het pilsje al te sterk verankerd in de Europese drinkcultuur.

Engels Pils(e)ner, Pilsen (1877); Duits Pils(e)ner (vóór 1884); Frans Pilsen.

Witsen Geysbeek Wdb. zamenleving 3 (1847) 2035; Alg. Ned. ency. besch. stand 12 (1867) 328; Winkler Prins' 12 (1886) 314; Vivat's ency. 8 (1906) 6328; Ency. Brit" 21 (1911) 614; M. Jackson Spearum Bieratlas (Utrecht 1987•) 25-35; R.E. Kistemaker (red.) Bier!

Geschiedenis van een volksdrank (Amsterdam 1994).