olieschaats betekenis & definitie

Nederlanders blijven experimenteren met schaatsen. Na de klapschaats (1983), de wisselschaats (1996) en de carve-schaats (1999) was dit jaar de beurt aan de olieschaats. De olieachtige vloeistof die uit de ijzers van deze schaats druppelt moet de weerstand verminderen en dus de snelheid bevorderen. Ids Postma reed er medio 2003 als eerste op. Zijn eerste reactie: ‘Gevoelsmatig is niet te zeggen of het helpt. Zoiets moet echt worden onderzocht.’

De schaats is uitgevonden door Chris Beuker, schaatshandelaar te Groningen. Hij spreekt zelf van de gesmeerde schaats. Of de olieschaats veel toekomst heeft valt nog te bezien, want de scheidsrechterscommissie van de Internationale Schaats Unie besloot in oktober dat wedstrijdschaatsers geen gebruik mogen maken van deze nieuwe uitvinding. De KNSB was na bestudering van de reglementen al tot dezelfde conclusie gekomen. Kop in de kranten ‘Olieschaats kan in het vet’.

Nieuw is ook de snelwisselschaats. De ijzers onder dit nieuwe type schaats zijn binnen enkele seconden te vervangen. De schaats is ontwikkeld door Jan Maarten Heideman, samen met Gert Ruitenberg, schaatsfabrikant Raps en het metaalbedrijf ALMI uit Vriezenveen.