nor betekenis & definitie

gevangenis

In 1881 voor het eerst aangetroffen, in een literaire tekst (over een besloten ruimte aan boord van een schip). In 1906 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, De Boeventaal van Köster Henke, met als betekenis ‘’t hok, ’t cachot op ’t politiebureau’. Later vrijwel alleen gebruikt voor ‘gevangenis’. Een min of meer vaste verbinding is de nor indraaien.

J.H. Speenhoff schreef omstreeks 1920 een lied getiteld ‘Brief van een oude moeder (aan haar zoon die in de nor zit)’, met daarin de regels:
Van al jouw centen speelt ze nou de dame,
Die kakmadam, ze moest zich liever schame,
Nou jij voor haar de nor ben ingegaan,

Nou loopt ze als een sloerie op de baan.

• ‘“Hoerah!” riepen we in den voorlongroom of in de “nor” zooals we gewoonlijk zeggen.’ ¶ A. Weruméus Buning, Een Kritiek Oogenblik (1881), p. 15
• ‘Ik zou nu maar bekennen. Je draait er toch de nor voor in, dat verzeker ik je...’ ¶ J.C.L. Sand, Ratten van Amsterdam (1922), p. 22
• Sluit ’em maar op. Een paar dagen in de nor zal ’em goed doen. ¶ Alfred Mazure, ‘Sporen in het zand’ (1948), in: Dick Bos. Alle avonturen dl 5 (2006), p. 33