Nabal betekenis & definitie

een nors en onverstandig man

In 1785 schreven Betje Wolff en Aagje Deken in Historie van den Heer Willem Leevend: 'Jy, Gerrit, bent een ruwen Ezau, een regte Nabal uit den Bybel.' J. van Lennep gebruikte nabal een paar maal in De lotgevallen van Klaasje Zevenster (1866) en in bijbelvaste kringen wordt dit woord ook heden ten dage nog wel gebruikt.

Volgens het bijbels verhaal was Nabal (Hebreeuws voor 'godslasterlijke dwaas') de echtgenoot van Abigaïl (z.a.). Nabal was een rijke veebezitter uit Maon, die volgens 1 Sam. 25 drieduizend schapen en duizend geiten bezat. Desondanks weigerde hij koning David en zijn mannen water, brood en vlees. Toen David hem wilde doden, wist Abigaïl hem hiervan te weerhouden. Zij bracht David voedsel en zei onder meer: 'Mijn heer stelle toch zijn hart niet aan dezen Belials man, aan Nabal; want gelijk zijn naam, alzoo is hij; zijn naam is Nabal, en dwaasheid is bij hem', aldus 1 Sam. 25:25.

Zeeman schrijft in Nederlandsche Spreekwoorden [...] aan den bijbel ontleend (1877) over Nabal: 'Al wat van hem wordt medegedeeld geeft ons den indruk van een kloek, forsch, grofgespierd man, ruw in taal en karakter en liefhebber van overvloedig tafelgenot.'

Zeker is dat Nabal volgens het bijbelverhaal 'zeer dronken' was toen Abigaïl van haar bezoek aan David terugkeerde. Toen zij Nabal de volgende morgen vertelde aan welk gevaar hij was ontsnapt 'bestierf zijn hart in het binnenste van hem, en hij werd als steen'. Tien dagen later overleed hij.

Van Dale (1992) spelt nabal met een kleine letter, Koenen (1986) met een hoofdletter.