Ewoud Sanders

Taalhistoricus en journalist.

Gepubliceerd op 07-02-2017

Maatje

betekenis & definitie

Een maatje is een inhoudsmaat uit de tijd dat jenever in de tapperijen nog uit het vat en per kan werd verkocht. Op 1 februari 1809 werd de inhoud van een maatje in Nederland officieel vastgesteld op l /io liter. Maar ook vóór die tijd was men al gewoon je- never per maatje te tappen.

Zo lezen we in 1804 in een pamflet tegen drankmisbruik: Zoudt gij niet wel één flesch Jenever 's weeks aan kleine maatjens gebruiken? En die eene flesch kost niet veel minder dan 15 a 16 stuivers aan kleine maatjens uitgeschonken. Men sprak van halve, hele en dubbele maatjes, eenheden die we ook in de literatuur regelmatig tegenkomen. Zo schreef Justus van Maurik in 1879 in Uit het volk: Groen[te]boeren enz. staan er in Amsterdam voor bekend, dat ze een geestrijke teug niet versmaden, en menigeen zou zich verwonderen, als er eens een statistiek werd gemaakt van de glaasjes, halve en heele maatjes, fusten en okshoofden Schiedammer, die alleen aan de groenmarkt worden verbruikt.

En in 1881 schreef hij, in een portret van Kobus, de barman van 'De drie kaantjes' in Amsterdam: 's Morgens als ik den winkel opende, stond gewoonlijk de schoenlapper uit het straatje al op de stoep; die gaf altijd hand- geld, - steevast 'n dubbeld maatje, onversneden, 'k Mocht dikwijls zoo tegen hem zeggen: 'Barend! Barend! jij begint toch wel wat al te vroeg.' Dan schudde hij zijn hoofd en zei: 'Je hebt gelijk, Kobus, maar ik kan er niks meer aan doen, nou moet ik ze hebben, anders kan ik geen slag uitvoeren.' En 't was waarachtig waar, zijn handen trilden en beefden als een blad. Had hij zijn morgenborreltje gebruikt, dan werd dat zoetjes aan weer beter en ging hij aan 't werk tot een uur of negen. Dan kwam de jongen met de kruik; die haalde geregeld zeven of acht maatjes al naarmate de knecht 's middags ook een glaasje kreeg of niet.

Aan het eind van de 19de eeuw vermeldden dialectwoordenboeken maatje in de betekenis 'druppel, borrel'. In de Zaanstreek werd een 'maatje (jenever)' toen ook een tonje of tontje genoemd, dus een 'tonnetje'. Van Dale kent de borrel naam maatje sinds 1924. Bij dialectonderzoek in de jaren tachtig is het woord onder meer aangetroffen in Amsterdam, Drenthe, Gent, Groningen en Hasselt. Onlangs werd het nog gehoord in de Achterhoek. Een verwante term in het Amerikaans-Engels is gage. Dit werd gebruikt voor een eenheid sterke whisky maar was oorspronkelijk een inhoudsmaat. Het Duits kent wel het overeenkomstige Maß, maar dat betekent 'één liter bier'.
Men kan in Gent om een loeze gaan, of om een mamme. In beide gevallen krijgt men een borrel. De eigenlijke betekenis van loeze en mamme is 'tepel, vrouwenborst'. Het gaat hier dus om 'iets waaraan je kunt drinken'. Beide borrel namen zijn onlangs nog in Gent gehoord. Volgens één bron zou ook tepel daarvoor 'borrel' worden gebruikt, maar dit kon niet worden bevestigd. In het Engels is 'jenever' mother's milk genoemd, en 'whisky' angel tit 'engelentiet'.