kit betekenis & definitie

huis; politiebureau

In 1731 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, achter in het boek Cartouche, of de Gestrafte Booswicht. Het komt hierin voor in diverse combinaties en betekenissen: kit voor ‘huis’ en ‘kroeg’, grandige kit voor ‘stadhuis’, in de kit zitten voor ‘gevangen zitten’ en platte kit voor ‘winkel’. De grondbetekenis is ‘huis’.

Kit is ook in diverse samenstellingen en afleidingen aangetroffen, zoals boutekit (1922, ‘plee’ en ‘politiebureau’), gastkit (1731, ‘gasthuis’), hoerenkit (1941), keilekit (1928, ‘kroeg, herberg’), nörriekit of neuriekit (1925, ‘herberg’ en ‘gevangenis’), luimkit (1731, ‘slaapstee, nachtverblijf’), nichtenkit (1982, ‘homokroeg’), opiumkit (1897), peeskit (1937, ‘tuchthuis’), roofkit (1937, ‘roofhuis’), spinkit (1937, ‘spinhuis’), temeiekit (‘hoerenhuis’) en woutekit (1982, ‘politiebureau’).

• De zoon van Moeke van Geuns, uit ‘De Nachtkaars’, ’t zoete kitje voor allerhande nachtzwabbers die nooit van den lurk genoeg konden krijgen. ¶ Is. Querido, Van Nes en Zeedijk (1915), p. 161
• Eén klont vergif wier de kommesares, omda’k ’m zoo’n zeenige afbluffer gaf. Oi, die goozers in de kit verbeelde d’r eige, dat zullie alleen een groote bek magge geve. ¶ Willem van Iependaal, Polletje piekhaar (1935), p. 164
• ‘En as je nie maekt dat je wegkomt, dan dwail ik die hele kit met je an!’ ¶ Piet Bakker, Branding (1941), p. 187