Ewoud Sanders

Taalhistoricus en journalist.

Gepubliceerd op 11-02-2019

kip

betekenis & definitie

politieagent

In deze betekenis in 1905 voor het eerst aangetroffen, in een krantenartikel van F.A. Stoett in De Amsterdammer over enkele Bargoense namen voor ‘politieagent’. ‘Dat nu kip, dat in het Bargoensch hond beteekent, bij ons als naam voor een agent gebezigd wordt, is niet vreemd, wanneer men aan de waakzaamheid van dat dier denkt’, aldus Stoett. In 1906 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, De Boeventaal van Köster Henke. In 1948 beschreef Piet Bakker in Jeugd in de Pijp (p. 89) hoe kinderen achter een politieagent aanliepen en joelden: ‘Kip, kip, kip zonder eieren!’

Zie ook latkip

• ‘Kijk zoo’n smeris!’ ’t Is de woedekreet, dien Jaap tusschen de lippen smoort. ‘Zoo’n kip hêt allemanspraas!’ mompelt zijn buurman. ¶ S. Abramsz., Levende beelden (1909), p. 23
• Zenuwachtig duwde Dennie er zijn kar in. Kijken. Nóg eens kijken. Geen kip te zien! Alles roewe. ¶ Is. Querido, Het volk God’s dl 1 (1931), p. 208. De schrijver verklaart de betekenis in een voetnoot.

latkip