kalle betekenis & definitie

bruid; meisje; prostituee

In 1844 voor het eerst aangetroffen, in een artikel over het Bargoens in de Algemeene Konst- en Letterbode. Het komt hierin voor in de zin: ‘Met zijne nieuwe kalle.’ Via het Jiddische kalle ontleend aan Hebreeuwse kalla, beide in de betekenis ‘bruid’. In Joodse kringen wordt kalle gebruikt voor ‘bruid, meisje’, maar in de dieventaal kreeg het de betekenis ‘meisje van lichte zeden, hoer’. Köster Henke maakte in 1906 in De Boeventaal een onderscheid tussen kalle (‘bruid’) en kalletje (‘publieke vrouw’).

‘De nuanceverschuiving van aanstaande bruid tot hoer is opvallend’, schreven Van de Kamp en Van der Wijk in 2006 in Koosjer Nederlands. ‘Zij volgt hetzelfde traject als andere Jiddische woorden in de Amsterdamse boeventaal.’ Ook in de Jiddischsprekende onderwereld van Warschau betekent kalle overigens ‘lichte meid’.

Willem van Iependaal schreef in 1934, in een gedicht getiteld ‘Lou sawie’:

Op een avond sprak ik even
Met een meisie uit het ‘leven’:
‘’k Zou me peiger kenne griene...’ zei ze mat:
‘Weet je, dat ik vroeger net was
In het Leger, en buffet was,
Van de kerels en de baan geen sawie [kennis] had!’
Door een heer werd ik een kalle,
’k Ben gestruikeld en gevalle
Naar de modder, in de puntjes van de dreg.

• ‘In de Trom zullen wij genoeg oude gewerbers [kameraden] vinden om ons jajim [jenever] te laten caskene [drinken] en eene knappe kalle op den schoot te geven, zonder dat wij behoeven te bloeden. ¶ J. de Vries, De verborgenheden van Amsterdam dl 1 (1844), p. 41. De schrijver verklaart de betekenis (‘eene publieke vrouw’) in een voetnoot.
• ‘Bets’, sprak hij, ‘Bets, ’t grootste geluk dat jouw en mijn kan overkomme is vandaag gebeurd. Max hier, het me daar gevraag of jij -- de emotie belette hem voort te gaan -- of jij zijn kalle wil worre, wat denk jij daarvan?’ ¶ Jules de Vries, Ghijn en onghijn (1906), p. 16
• Er is een schiettent met damesbediening! Sodelooier, wat een lekkere kalletjes! Zulke borsten! Heb ie houvast aan! Van die weelderige bibberbobbels! ¶ Willem van Iependaal, Kluivenduikers doedeldans (1934), p. 33