Brazielhout, braziliehout betekenis & definitie

(14de eeuw, uit het Frans) zeer harde houtsoort

Weinig mensen weten nu nog wat brazielhout of braziliehout is. Toch was dit ruim drie eeuwen lang de belangrijkste grondstof voor rode verf. Wat ligt er meer voor de hand dan te denken dat brazielhout naar Brazilië is genoemd? In feite is het precies andersom: Brazilië heet zo naar dit harde verfhout. Het grootste land in Zuid-Amerika werd in 1500 ontdekt door de Spaanse zeevaarder Vicente Yáfiez Pinzón, een metgezel van Columbus. Hij onderzocht de kuststreek, verklaarde het land Spaans grondbezit en vertrok weer, met in het ruim monsters van de grondstoffen die hij had aangetroffen. Zoals planten, edelstenen en... braziel.

Braziel was de benaming voor het rode verfhout van een boom uit Oost-Indië. De herkomst van het woord is onbekend, maar omstreeks 1400 luidde de Latijnse vorm brasilium. Dit was in het Spaans en Portugees overgenomen als brasil. Het nieuwe land bleef slechts zeer kort Spaans eigendom. Al op 22 april 1500 ging het over in Portugese handen, in overeenstemming met een bestaand verdrag. De Portugezen noemden het aanvankelijk Terra da Vera Cruz, 'Land van het Ware Kruis'. Maar na 1540 sprak men van Terra de brasil, 'Land van het rode verfhout', later verkort tot Brasil.

De naam braziel was ook bij ons al in gebruik vóór de ontdekking van Brazilië. Al in de middeleeuwen ontstond de samenstelling braziliehout, hoewel dit eigenlijk dubbelop is. Maar toen het verfhout met scheepsladingen tegelijk uit dit land werd aangevoerd, vatte men braziel op als 'hout uit Brazilië'.

Hoe dan ook, de Caesalpinia crispa, zoals de wetenschappelijke naam van deze circa vijftien meter hoge boom luidt, werd in Brazilië in grote blokken gezaagd en naar tal van Europese landen uitgevoerd. Het was een hele klus om er vervolgens verfstof van te maken. Het rode kernhout was bikkelhard. Vanaf de 16de eeuw werd het schaven of raspen ervan gedaan door misdadigers in speciaal daartoe opgerichte rasphuizen. Deze tuchthuizen maakten grote indruk op reizigers die ons land bezochten, vooral omdat de gedetineerden helemaal rood zagen van het zaagsel. Later werd het hout in molens gemalen, de braziliemolens. De houtpulp werd vervolgens behandeld met kokend water, wijngeest en aluin, tot er een heldere purperrode verfstof aan kon worden onttrokken.

Tot halverwege de 19de eeuw leverde het braziliehout, samen met andere roodhout-bomen, de verfstof waarmee wollen, katoenen en zijde stoffen werden gekleurd. Maar gaandeweg moest het brasileïne, zoals de eigenlijke kleurstof wordt genoemd, plaatsmaken voor kleurstoffen die duurzamer bleken en mooier werden gevonden. Toch is het braziliehout nooit helemaal verdwenen. In navolging van de Franse instrumentbouwer François Tourte (1747-1835) maakt men er nog steeds strijkstokken van. Het brasileïne wordt nog gebruikt om kazen mee rood te verven. Daarmee ontstond alweer een nieuw woord: kaasrood - niet een begrip dat je meteen in verband zou brengen met bomen uit Brazilië.

Engels brazil wood (1530); Duits Brasilhol:z;, Frans brésil (u68).

Vergelijk campêchehout

Het meeste braziliehout kwam uit de staat Pernambuco, gelegen in het noordoosten van Brazilië. Naarmate de vaart op Pernambuco toenam, sprak men behalve van braziliehout ook van pernambukhout. Omdat Pernambuco aanvankelijk bekendstond als Fernambuco, ontstond bovendien de benaming fernambukhout. Beide vormen staan nog steeds in Van Dale. Overigens heeft braziel als tweede betekenis 'Braziliaanse tabak'. Anders dan het braziliehout is deze natuurlijk wèl naar Brazilië genoemd. Hetzelfde geldt voor braziliaan, 'topaas uit Brazilië', en voor braziliaantje 'kleine sigaar'. Brasilianiet is een mineraal dat in 1945 in Brazilië werd ontdekt, in de deelstaat Minas Gerais.

BRAZIELHOUT: Verdam Middelned. wdb. 1 (1885) 1435-1436; Winkler Prins' 4 (1872) 415-416; WNT 111' (1902) 1166; Winkler Prins• 16 (1953) 152 (roodhout); Veen Etym. wdb.
(1989) 124-125; OED (19932); Rey Dict. hist longue (ronç. (19942) 278 (broise).