Bougie betekenis & definitie

(1824, uit het Frans) kaars, medisch instrument (1824); vonkbrug in automotor (1917)

'Zij nam de bougie van de pijler der trap, en ging naar boven; hij met zijn couranten naar de eetkamer', schreef Louis Couperus in 1889, in Eline Vere.

Bijna dertig jaar voor Couperus dit schreef had Lenoir in Frankrijk de eerste bruikbare explosiemotor uitgevonden. Om het gas tot ontploffing te brengen maakte hij gebruik van enkele batterijen. Deze bleken echter hoogst onbetrouwbaar en al snel bedacht men allerlei andere ontstekingsmechanismen. Vanaf 1888 noemde men zo'n vonkbrug in Frankrijk een bougie.

Nu zal niemand Eline Vere ervan verdenken dat zij met het ontstekingsmechanisme van een explosiemotor naar boven liep. Nee, zij pakte een kaars van de trappijler. Maar de bougie-kaars en de auto-bougie zijn wel familie van elkaar. Om deze familierelatie bloot te leggen moeten we een flinke stap terug doen, namelijk naar de middeleeuwen. Omstreeks 1300 genoot de Algerijnse havenstad Bugia een grote reputatie als producent en exporteur van fijne was. Bugia wordt ook wel Boedjaya gespeld of Bugaya, maar met de Fransen schrijven onze huidige naslagwerken vrijwel altijd Bougie. Bougie stond bekend als de beste ankerplaats langs de hele Algerijnse kust en kooplieden uit Pisa, Venetië en Genua dreven er een levendige handel. In de 15de eeuw was het een schuilplaats voor zeerovers en in de 16de eeuw kwam de stad in Turkse handen. Daarna ging het snel bergafwaarts. 'Toen de Franschen haar in 1833 in bezit namen, was zij niets meer dan een ellendig dorp', aldus A. Winkler Prins.

Maar goed, taalkundig had bougie toen al school gemaakt.

Aanvankelijk betekende het in het Frans 'fijne kaarsenwas uit de havenplaats Bougie'. Maar zoals bij zoveel van dit soort woorden, werd bougie al snel een soortnaam voor waskaars. De Fransen kenden nog een ander woord voor kaars, namelijk chandelle. Gaandeweg kregen deze twee woorden verschillende betekenissen. Chandelle werd in de 17de eeuw gebruikt voor een eenvoudige talkkaars voor het volk; bougie was toentertijd voorbehouden aan de chique aristocratische kaarsen. In diezelfde eeuw kreeg bougie nog een andere betekenis, die net als 'kaars' ook in het Engels en Nederlands zou doordringen. Vanwege de overeenkomst in vorm noemde men een bepaald medisch instrument een bougie. Het ging om een dunne, lange, gladde cilinder die werd gebruikt om 'natuurlijke kanalen in het lichaam' - zoals de pisbuis - te onderzoeken, open te houden of te verwijden. In de 19de eeuw onderscheidde men maar liefst 30 verschillende soorten bougies, die werden onderverdeeld in vier categorieën: stijve metalen bougies, rekbare bougies, veerkrachtige bougies en weke bougies. Zo'n weke bougie bestond uit opgerold linnen of zijde, gedompeld in gesmolten was. Het verwijden van een kanaal met een bougie noemde men bougisseren.

Verliep de overgang van bougie-kaars naar bougie-kanaaloprekker via de overeenkomst in vorm en materiaal, de overgang van kaars naar autobougie verliep via de functie. Het lijkt nu een beetje vergezocht om het minuscule vonkje in een bougie te vergelijken met het vlammetje van de waskaars, maar aanvankelijk was dat vonkje helemaal niet zo klein. Bij sommige vroege explosiemotoren werd het ontstekingsmechanisme verwarmd door een forse brander.

In Nederlandse naslagwerken sprak men aanvankelijk van een 'porseleinen gloeibuisje'. Vanaf 1917 vind je bougie in de betekenis waar wij tegenwoordig het eerst aan denken.

Er zijn trouwens mensen die bij bougie helemaal niet denken aan dat gevoelige porseleinen gloeibuisje dat 's winters voor zoveel startproblemen zorgt. Volgens de Grote Van Dale betekent een vuile bougie oplopen in de volkstaal zoveel als 'een geslachtsziekte krijgen'. Dit is geen exportprodukt uit de Algerijnse havenplaats Bougie. Waskaarsen trouwens ook allang niet meer. Tegenwoordig handelt men er voornamelijk in olie.

Engels bougie (1755 [kaars); ±1760 [medisch instrument)); Frans bougie (1300 [kaars); 1690 [medisch instrument); 1888 [auto-onderdeel)).
Weiland Kunstwdb. (1824) 62; Nieuwenhuis Kunsten en wetensch.2 (1855) 134; Winkler Prins' 4 (1872) 329; Couperus Eline Vere (1987) 15; WNT 111' (1902) 752; Bauwens Ned.
wdb. der geneeskunde (1910-1914) 432; Oosthoek ency.' 2 (1917) 794 & 5 (1919) 385; Winkler Prins' 4 (1933) 11; Philippa Koffie, kaffer en katoen (1989) 62; OED (19932); Rey Dict hist longue franç. (1994 2) 256.