Albertduurtje betekenis & definitie

kunststukje

Uit moderne woordenboeken is albertduurtje allang verdwenen. Het WNT schreef al in 1882 dat het woord 'thans niet meer in gebruik' is. Maar ooit betekende albertduurtje - ook te vinden als alberduurtje - 'kunststukje' of 'keurig schilderijtje of prentje in het algemeen', terwijl het later werd gebezigd 'als schertsende benaming voor alles wat in zijne soort een kunststukje, een juweeltje, een puikje, een schatje was'.

Dat laatste is in ieder geval wat Aernout van Overbeke ermee bedoelde toen hij omstreeks 1670 dichtte:

't Is waer, een vrouw is wel een Alberduertje,

Wanneer een man is droncken;

Maer die lieffelycke loncken

Die dueren qualyck een uyrtje.

Het albertduurtje dankt zijn naam aan Albrecht Dürer, de beroemde Duitse schilder en graveur, die in Nederland blijkbaar Albert werd genoemd. Vooral geliefd waren zijn Mariaprentjes, die hij voor weinig geld als warme broodjes verkocht.

Albrecht Dürer werd op 21 mei 1471 in Neurenberg geboren. Zijn vader was goudsmid en ook Albrecht werd voor dit vak opgeleid. Als vijftienjarige jongen kreeg hij echter 'lust in de schilderkunst' en uiteindelijk zou Dürer een van de bekendste kunstenaars van zijn tijd worden. Hij schopte het tot hofschilder onder de keizers Maximiliaan I en Karel V, bracht een jaar in Antwerpen door en bereisde heel Nederland. Bovendien stond hij bekend als meetkundige: in Duitsland doceerde hij als eerste de regels van de perspectief en hij schreef verscheidene wetenschappelijke werken over de tekenkunst en over de verhoudingen van het menselijk lichaam.

Zijn grootste vergissing was zijn huwelijk, op 7 juli 1494, met Agnes Frey, dochter van een bekend werktuigkundige en een regelrechte xantippe (z.a.). De 23-jarige Albrecht trouwde met haar om zijn vader te plezieren, maar daar zou hij zijn leven lang spijt van hebben. Witsen Geysbeek besteedt in 1836 meer aandacht aan de huwelijksproblemen van Dürer dan aan zijn artistieke kwaliteiten. 'Deze boosaardige, geldgierige en heerschzuchtige vrouw verbitterde al zijne levensdagen en vervolgde hem overal als een kwelgeest. Geheel ongevoelig voor den roem, dien haar echtgenoot verwierf [...] vlamde zij slechts met gretige oogen op het geld, dat zijne schilderstukken opbragten, kocht er apen, papegaaijen, honden en nutteloozen opsmuk voor, en verweet den voortreffelijken kunstenaar gedurig dat hij haar geen geld genoeg gaf.'

Dürer verdroeg 'dit grievend leed' met 'voorbeeldeloos geduld', maar op 6 april 1528 bezweek hij, bijna 57 jaar oud.