afleggen betekenis & definitie

beloeren, ongemerkt nagaan, bespieden, verkennen

Omstreeks 1860 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, opgesteld door M. Verwoert, indertijd directeur van een gevangenis te Utrecht. In 1906 geeft Köster Henke in De Boeventaal onder meer als voorbeeldzinnen: ‘De russen hebben hem afgelegen’ (‘de rechercheurs hebben hem beloerd’) en ‘Een smeris legt je af’ (‘een agent bespiedt je’).

• Ik nam er één van, maar zonder dat we ’t wisten had er eentje ons afgeleje, zoo’n stille verklikker, en die was me nagegaan. ¶ M.J. Brusse, Snok en Sam (1911, tekst uit 1903), p. 33
• ‘Maar ’n koetsier van Van Gend en Loos had ons afgelegd; want toen we nog bij de vrouw van de snees [heler] stonden, met de tachtig cents in onze hand voor dat kaasje [...] kwam er al ’n smeris binnen.’ ¶ Jan Feith, Het verhaal van den dief (1909), p. 57