afgeknoedeld betekenis & definitie

zeer dronken

In 1925 voor het eerst aangetroffen, in een literaire tekst. In 1937 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, De Gabbertaal van E.G. van Bolhuis. Later ook aangetroffen in de betekenissen ‘uitgeput, bekaf, afgepeigerd’.

• Zaterdagnacht, en blijf weer venten Zondagmorgen tot een uur of twaalf, en je hebt nog geen keilertjes gebeurd om te sjaskelen. Oele!... Zwom hij voor zijn part afgeknoedeld nou maar de Oudezijdskolk in. ¶ Is. Querido, Mooie Karel (1925), p. 70. De schrijver verklaart de betekenis in een voetnoot.
• Ik liet me dan door Jopie van kroegie naar kroegie rijden, net zo lang totdat ik helemaal afgeknoedeld was en dan bracht hij me netjes naar de Wallen waar ik woonde. ¶ Haring Arie, De sarkast (1989), p. 322