achterwiel betekenis & definitie

rijksdaalder

In 1867 voor het eerst opgetekend, in het Woordenboek der Nederlandsche Taal, met de opmerking ‘niet algemeen in gebruik’. In 1906 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, De Boeventaal van Köster Henke. Köster Henke geeft als voorbeeldzin: ‘Er is me een achterwiel voor dien joekel geboden’ (‘er is me een rijksdaalder voor die hond geboden’). De naam herinnert aan de achterste, grote wielen van een rijtuig. Een ‘gulden’ werd wel een voorwiel of kortweg wiel genoemd.

• Bram, die door deze woorden het achterwiel in gedachten ziet wegrollen, fluistert Teun in: ‘Ben je suf!’ ¶ Justus van Maurik, Burgerluidjes (1884), p. 69
• ‘’t Was ’n heele uitzoekerij geweest eer we zóó ver waren, maar ten laatste vischten we den sok met nog ’n paar valsche achterwielen er in uit de Marnixkade.’ ¶ Jan Feith, Op het dievenpad (1907), p. 87
• Nei kluiveduiker [schooier], met ’n paar achterwiele of sellufs met tien geeltjes neimp Aulifier gein genoege. Denk d’r an as ik na de befgajes laup en se tip, ga je naar de barrebiesjes. ¶ Leonhard Huizinga, Adriaan met Olivier natuurlijk (1979), p. 134