Abigaïl betekenis & definitie

1. een Engels kameniertje; 2. een voorschoot of boezelaar zoals kameniers dragen

Volgens het bijbelverhaal was Abigaïl (Hebreeuws voor 'vreugde van de vader') de echtgenote van de rijke veeboer Nabal.

Zij was 'goed van verstand en schoon van gedaante' en wist koning David ertoe te bewegen geen wraak op haar man te nemen, nadat deze hem brood, water en vlees had geweigerd. In haar pleidooi gebruikt zij tot zes maal toe het woord dienstmaagd. 'Och, mijn heer, mijne zij de misdaad, en laat toch uwe dienstmaagd voor uwe ooren spreken, en hoor de woorden uwer dienstmaagd', aldus 1 Sam. 25:24. Na de dood van Nabal nam David haar tot 'huisvrouw'.

In de betekenis 'kameniertje' raakte Abigaïl in het Engels ingeburgerd nadat Francis Beaumont en John Fletcher in 1610 in de populaire komedie The Scornful Lady een 'waiting gentlewoman' van die naam ten tonele hadden gevoerd, een voorbeeld dat door onder anderen Swift en Fielding werd gevolgd.

Volgens Brewer's Dictionary of Phrase and Fable (1872) werd het begrip waarschijnlijk populair door Abigaïl Hill (Mrs. Masham), tussen 1704 en 1714 een beruchte hofdame, die haar grote invloed op koningin Anne voor persoonlijke belangen misbruikte. In navolging van Brewer vermeldden De Beer en Laurillard abigaïl in 1899 in de Woordenschat.

Volgens het Woordenboek van voornamen (1984) van Van der Schaar kwam Abigaïl als voornaam in Nederland vooral in de 17de eeuw in de mode. Hij vermeldt de vormen Abigaïl, Abiegel, Abigal en Bigel - voornamen die in Zeeland nog altijd voorkomen. Harrebomée vermeldt in zijn beroemde Spreekwoordenboek (1858) onder het trefwoord Abigaïl de zegswijze 'Het is een kind van Abigeltje-nicht' - overigens zonder nadere toelichting.

Vergelijk martha, evaatje en nabal