Aanleggertje betekenis & definitie

Een aanleggertje is In 1930 door P.H. Ritter jr., indertijd hoofdredacteur van het Utrechtsch Dagblad, opgetekend in zijn Woordenboek der drank- geneugten - een obscuur tijdschriftartikel waarin hij 21 volksnamen voor 'borrel' behandelt. Ritter maakt onderscheid tussen namen die afkomstig zijn van regelmatige drinkers en bena- mingen door 'gematigder genoten, wien het vooral te doen is om "eentje te nemen" met argeloosheid'.

Over die gelegenheidsdrinkers schrijft hij:
Zijn zij het niet, die langs hun rooden neus weg vragen om een 'aanleggertje' wanneer ze van Marken geschaatst hebben naar Monnikendam? [een afstandje van niks] Zij 'pakken er eentje tegen de kou'. En wanneer de wintermiddag grijs is en triest, dan stellen zij voor, haast onverschillig: Zullen wij niet een 'zoopje' nemen? Aanleggertje komt van het werkwoord aanleggen, dat in de 19de eeuw werd gebruikt voor 'onderweg stilhouden om uit te rusten of verversingen te gebruiken'. Die verversing kon water zijn, maar vaker was het iets sterkers. Tollens gebruikte het werk- woord als volgt:
[Zij] zwenken op eens van het ijs in de tent Zij klinken en drinken en leggen wat aan. En De Schoolmeester dichtte: Leg reis aan! Leg reis aan! Bittere borrels of melk en saffraan! Men zei ook aan alle kapelletjes aanleggen of aan alle heilige huisjes aanleggen voor 'aan alle kroegen of herbergen, die men voor- bijkomt stilhouden om iets, met name sterke drank, te gebruiken'.