aankatsen betekenis & definitie

aanspreken, aanklampen (van een klant)

In 1950 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, samengesteld door ‘brandkast-Hein’ uit Amsterdam. Ook aangetroffen als ankatsen, aankwatsen en aanketsen. Waarschijnlijk ontleend aan de Duitse dieventaal, waar quatschen en quasseln werden gebruikt voor ‘(onzin) praten’.

• Als ik haar wel eens probeerde aan te katsen keek ze me zo vuil aan dat ik meteen weer afknapte. ¶ Haring Arie, Tweede boek (1969), p. 105
• Op een middag kwam er een Amerikaan. Die liep zwijgend die hele expositie rond. Maar bij mijn stierengevecht bleef ie staan. Marvellous! zei hij hardop. Ik meteen, wat zegt u? Marvellous! Ik meteen die man ankatsen natuurlijk. ¶ Paul Rollman, Paul Rollman blijft ademhalen (1971), p. 145
• Mijn gabber en ik werden er zo geil van als boter en toen we effe later buiten stonden werden we angekatst door een paar Italiaans uitziende snuiters die ons vroegen of we zin hadden om een potje te neuken met een lekker geil wijf, ze zouden ons de weg wel wijzen. ¶ Haring Arie, De sarkast (1989), pp. 310-311

Vergelijk katsen