vorm zn. 'uiterlijke gedaante; matrijs'
Mnl. vorme 'vorm, uiterlijk voorkomen' in menslike uorme 'menselijke gedaante' [1236; VMNW], uorme [1240; Bern.]; vnnl. vorm, ook 'matrijs' [1520; iWNT].
Al dan niet via Frans forme 'vorm' [1119; TLF] ontleend aan Latijn fōrma 'id.', zie formeren.
◆ vormelijk bw. 'formeel'. Vnnl. formlijc 'volgens de vastgestelde vorm' [1560; WNT]; vormlijk 'de vorm betreffende' [1648; WNT]; nnl. vormelijk 'formeel' [1858; WNT]. Afgeleid van vorm met het achtervoegsel -lijk. ◆ vormen ww. 'vorm geven, scheppen; een vorm hebben'. Mnl. eenen zeghele die ghedruct ende gheformt es int was 'een zegel die in de was is afgedrukt' [1380-1400; MNW-P]. Afleiding van vorm, mogelijk beïnvloed door Frans former bij forme en/of Latijn fōrmāre bij fōrma.
Fries: foarm ◆ foarmlik ◆ foarmje
Gepubliceerd op 24-04-2024
vorm
betekenis & definitie