Etymologisch Woordenboek

Instituut voor de Nederlandse taal

Gepubliceerd op 24-04-2024

persoon

betekenis & definitie

persoon zn. 'mens, individu; grammaticaal begrip'
categorie: leenwoord

Mnl. persone, persoon 'mens' in Persone beide ijonge ende oude 'zowel jonge als oude mensen' [1265-70; VMNW], 'rol, karakter' in inds lichame persone 'in de rol van het lichaam, het lichaam representerend' [1276-1300; VMNW], die hertoghe van Brabant ... In sijns selfs persoon '... in eigen persoon, zelf' [1460-80; MNW-R]; vnnl. Daer zijn drie Persoonen. De eerste is die spreekt, als Ik. De tweede Persoon is tot welken men spreekt, als Gy. De derde Persoon is van welken men spreekt, als Hy [1626; iWNT].

Ontleend aan Latijn persōna 'persoon, individu', oorspr. '(toneel)rol; masker', van onzekere herkomst, maar wrsch. een leenwoord, vergelijk Etruskisch phersu 'masker'.

De betekenis 'rol, karakter' is verouderd, maar nog te herkennen in enkele vaste verbindingen, bijv. in de persoon van 'vertegenwoordigd door', in eigen persoon 'zelf'.
In de grammaticale betekenis is persoon een kenmerk van het werkwoord en het persoonlijk voornaamwoord. Er worden in het Nederlands drie personen onderscheiden (eerste, tweede en derde persoon), elk onderverdeeld in twee getallen (enkelvoud en meervoud), zie getal 2. Daarbij horen vaste werkwoordsvormen, de persoonsvormen.
persoonsvorm zn. 'vervoegingsvorm van een werkwoord'. Nnl. Een zin is een persoonsvorm van een werkwoord, al of niet vergezeld van andere woorden, waardoor eene mededeeling, eene vraag of een gebod wordt uitgedrukt [1892; Den Hertog]. Samenstelling van persoon met genitiefuitgang en vorm. De term kreeg een vaste plaats in de zinsontleedkunde van het Nederlands door het invloedrijke werk van onderwijzer en taalkundige C.H. den Hertog (1846-1902).

Literatuur: C.H. den Hertog (1892), Nederlandsche spraakkunst, stuk 1, 13
Fries: persoan

< >