Etymologisch Woordenboek

Instituut voor de Nederlandse taal

Gepubliceerd op 24-04-2024

gein

betekenis & definitie

gein zn. (NN) 'lol'
categorie: leenwoord

Nnl. gein 'pret' [1896; Woordenschat], [1906; Boeventaal], vrouwe van lol en van gijn 'vrouwen vol van lol en grappenmakerij', in het tijdschrift Ghijn en Onghijn [1906; WNT Aanv.], d'r meeste gijn .... stiekeme jool 'hun meeste plezier, stiekeme lol' [1920; WNT zuipen II]. Reeds 1827 het verkleinwoord geintje, zie hieronder.

Ontleend aan Jiddisch chein 'grap, plezier; leuk', < Hebreeuw ḥējn, variant van Hebreeuws ḥēn 'gunst, lieftalligheid, aantrekkelijkheid'.

Moormann legt verband tussen gein en jen, beide zouden 'grap' betekenen. Het werkwoord jennen, bekend in de betekenis 'pesten, sarren', komt echter van Rotwelsch jonen 'vals spelen' < jowen 'Griek', zie verder jennen.
Moormann noemt een Amsterdams gezegde waarin het woord gein voorkomt: zonder gein of krijn 'zonder smaak of kraak'.
geintje zn. (NN) 'grapje; flauwekul'. Nnl. [/i]... heeft aardige geintjes[/i] verteld '... grapjes ...' [1827; WNT Aanv.], maak me niet gek met je gijntjes! '... met je vervelende grapjes' [1937; WNT Aanv.]. Verkleinwoord van gein. Vaak in combinatie met het werkwoord maken. ◆ geinponem zn. (NN) 'lachend gezicht; grappenmaker'. Nnl. geinponem, gijnponem "type Jordaner" [1933; WNT Aanv.], geinponem 'grappenmaker' [1933; WNT Aanv.]. Gevormd uit gein en ponem 'gezicht'.

Literatuur: Moormann 1932; Gabbertaal 1937; Beem 1967, 1975
Fries: - - ◆ - -

< >