Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

Gepubliceerd op 17-03-2020

paard

betekenis & definitie

paard - 1°. In een aantal verb., waarbij men moet uitgaan van het beeld van een ruiter die tijdens het rijden op het paard op en neer gaat (vgl. rijden, ruiter, zadel e.d.).

te paard raken, beginnen te coïteren. Daer liep zo al wat van St. Anna onder (= daar gebeurden dingen die niet door de beugel konden. H.), doe de Heeren 's avonts met de Dames te paerd raekten; sonder dit vermaek penetreren de Banquetten niet (= zijn de feesten niet echt?, H.), H. doedyns, Haegse Mercur. 10 Sept. 1698, 3.

paardje op zadel spelen, gebruikt voor copuleren in een bep. houding (vgl. het kinderspel paardje op zadel spelen. waarbij jongens op elkaars rug paard rijden en elkaar een bal toewerpen). Ook heeft de Bruydegom sedert sijn 14 jaer een groot liefhebber geweest van paerdetje op zael te speelen, zijnde een plaisier seer gebruykelyk in sijn geboorte-plaets, doedyns, Haegse Mercur. 7 Dec. 1697,1.

paard onder de man, lichte vrouw, hoer; eig. ‘rijpaard’. Voor een heimelyke Motkas daar een blind Paart geen schade zoud’ in doen. Hier verhuurt men koetzen, cheezens, en paarden onder de man, Koddige Opschriften 4, 8 [1700]. Vgl. ook de verb. een hoer als een paard, 'k Sou meenen dat 'er pollen en snollen waren ja hoeren als peerd, van paffenrode, Ged. 177 [1657].

Vandaar misschien: het paard in de wieg, als uithangteken van bordelen.

2°. Penis. Hij beklom opnieuw zijn beestje en ik geleidde het paardje met mijn hand tot voor de deur van de stal, Eros’ L. 177 [18e e.].

Voordat we opstonden, ging zijn paard ‘tot op de helft van onze levensbaan' (= vagina, V.), Sch. P. 149 [1970].