Ensie 1947

Ensie deel 2, 1947, Anton Reichling S.J. en J.S. Witsenelias.

Gepubliceerd op 30-05-2019

2019-05-30

Textiele kunsten

betekenis & definitie

Al heel vroeg moeten de wevers hun producten hebben versierd. De oudste ons bekende kostbare weefsels zijn die der Kopten, Egyptische christenen, die hun doden in groten getale van het begin der christelijke jaartelling tot ongeveer 800 te Achmin en te Sakkarah in de Nijldelta en in het door keizer Hadrianus (117-138 na Chr.) gestichte Antinoë ter aarde hebben besteld. Het droge Egyptische klimaat heeft alle textiel geconserveerd.

Zij kenden alle ons nu nog bekende technieken, weefsels en borduursels op linnen, wol, zijde en katoen, platte en opstaande pool, versieringen in uitgetrokken draden, opnaaisels, appliqués, kralen en glasschilfers. Zij exporteerden op ruime schaal kostbare stoffen. Het is zeer waarschijnlijk, dat zij de makers zijn geweest van al datgene, wat wij nu nog slechts van Byzantijnse afbeeldingen kennen.In diezelfde tijd nemen ook de weverijen in het Nieuwperzische rijk der Sassanieden een grote vlucht. De veelkleurige kostbare zijden stoffen vertonen Grieks-Romeinse motieven en dierfiguren: leeuwen, adelaars, olifanten, gazellen en pauwen, bovendien veel jachttaferelen.

Eerst in de 9de eeuw verplaatsen er zich weverijen naar het W. De eersten, die dan exporteren zijn de Spaanse Moren, met Cordova als centrum, gevolgd door Sicilië en Byzantium. Er zijn slechts schaarse fragmenten van bewaard, kostbare zijdeweefsels met veel gouddraad, met gestileerde dierfiguren in cirkels. In de 13de eeuw ontwikkelen zich de zo beroemde weverijen van Italië, vooral te Lucca, later ook in Venetië en Florence. Zij blijven tot in de 18de eeuw de markt beheersen, maar ondervinden in de 17de eeuw, tengevolge van de maatregelen van de Fr. minister Colbert, zware concurrentie van Frankrijk.

Naast de vervaardiging van deze weefsels, die voor het grootste deel voor kleding en stoffering der kleinere vakken dienden, staat die der tapisserie, der wandtapijten, gemaakt voor het grote en zeer grote oppervlak. Zij waren de navolging in wol en zijde van het mozaïek en de frescoschildering op de natte kalk, aangepast aan een vochtig en koud klimaat. De alleroudste zijn uit het laatst der 14de eeuw, de tijd dat het kasteel in W. Europa, vooral in N. Frankrijk, zich ontwikkelt tot een enigszins comfortabel woonhuis. De grote tapijten dienden tot primitieve centrale verwarming: zij werden aaneensluitend opgehangen, raakten de grond en, een eindje van de muur verwijderd, gaven zij het vertrek a.h.w. een dubbele wand. Ook het middeleeuwse meubel bij uitnemendheid, het vrijstaande bed, werd met dit soort weefsel afgesloten. Over de ontwikkeling is ons wederom niets bekend. De oudste stalen vertonen het wandtapijt in zijn volmaaktheid.

Het oudste centrum van tapijtweverijen was de stad Atrecht in Artois (N. Fr.) waaraan de doeken in het lt. nog hun naam ontlenen, arrazzi. Fr. bewaart er exemplaren van in het Musée de Cluny. In de loop van de 15de eeuw verplaatste het centrum zich naar het N., eerst naar Doornik (onder de oudste voorbeelden de historie van St. Piatus in de cathedraal van 1402) en vervolgens naar Brussel om zich over het gehele VI. land te verspreiden en daar uit te groeien tot een groot-industrie met een eigen beursgebouw te Antwerpen. Vorsten en pausen behoorden tot de beste afnemers. Beroemd is de serie, die Karel V te Brussel liet weven ter gedachtenis van zijn kruisvaart naar Tunis in 1535. Voor dat doel had hij de schilder Jan Cornelisz. Vermeyen medegenomen om ter plaatse de ontwerpen te kunnen maken. Twintig jaar te voren, van 1515-1519, had paus Leo X ontwerpen van Rafaël naar de Nederlanden gezonden, met taferelen uit de Handelingen der Apostelen tot onderwerp, om er wandtapijten voor de Sixtijnse Kapel naar te laten vervaardigen.

Na de val van Antwerpen verplaatste de industrie zich wederom, ten dele naar Delft en Gouda, ten dele naar Fr., om onder de aartshertogen in het oude land weer op te leven tot nieuwe bloei. Aan het eind van de 17de eeuw werd die bloei echter overvleugeld door de enorme productie van wandtapijten in Frankrijk. In 1662 had minister Colbert er de ‘Manufacture royale des Meubles de la Couronne’ gesticht in het voormalige woonhuis der markiezen de Gobelin te Parijs. Daar werd alles vervaardigd wat nodig was tot stoffering van de paleizen des konings: meubels, klokken, ivoren voorwerpen, wand- en vloertapijten. Het overschot werd geëxporteerd. De eerste directeur, Charles Le Brun, had zich i.h.b. toegelegd op het ontwerpen van wandtapijten. De ateliers te Parijs waren niet de enige, ook Beauvais bezat beroemde. De mindere kwaliteiten werden te Felletin en te Aubusson vervaardigd. Men werkte er overal met VI. arbeiders. De handelshuizen te Antwerpen, waarvan de correspondentie is uitgegegeven, klaagden in die tijd steen en been, dat de Fransen alle markten, vooral de Spaanse, overstroomden met wandtapijten, zo zelfs, dat de beste kwaliteit, die afkomstig uit het Hotel des Gobelins, haar naam gaf aan het gehele product. De Fransen zijn altijd zorgvuldig een ‘tapisserie des Gobelins’ van de overige productie blijven onderscheiden. Het is de Weense geleerde Ludwig von Baldass, die aan het eind van de 19de eeuw het woord gobelin als algemeen begrip is gaan gebruiken. Ned. is het enige land dat het woord in deze betekenis heeft overgenomen. Zowel in Fr. als in België wordt het wandtapijt nog op de oude manier vervaardigd, op kleine schaal, wegens de kostbaarheid van het product.

In zekere zin kan men zeggen, dat het borduursel een goedkopere uitvoering van het weefsel is, wat niet wegneemt, dat het borduursel zijn eigen geschiedenis en zijn eigen wetten heeft, waaraan de techniek ondergeschikt is. De variatie in techniek is er veel groter dan bij het weefsel, maar dat vindt zijn oorzaak in het feit, dat borduursel een ondergrond heeft, een stuk textiel, waar de verdere bewerking op bevestigd is. Borduursel leent zich tot imitatie van elke plastische uiting, tot het beeldhouwwerk toe. Het zijn vooral de goudborduursels, gewerkt over dikke lagen opvulsel, die aan gebeeldhouwde friezen doen denken. Er is veel naar schilderijen geborduurd en naar boekminiaturen, maar het meest zijn de kostbare weefsels geïmiteerd.

In It. was het oude Assisiaanse borduursel een middel tot imitatie van het zijden damast. Het wandtapijt is in de 18de eeuw op grote schaal nagevolgd in halve en hele kruissteken op canvas, zoveel zelfs dat men het voor het oorspronkelijke ging houden. Het vond vooral toepassing bij meubelbekledingen. Ook werd er geborduurd op schilderingen en ook wel op wandtapijten, in het laatste geval was dit vooral goudborduursel. Goudborduursel is het oudste dat wij kennen. Het is de kroningsmantel van Stefanus de Heilige, gekroond in 1001, die nog te Boedapest wordt bewaard. Borduursel leent zich bij uitstek tot tijdverdrijf voor vrouwen en zeker hebben sommige liefhebsters er een grote vaardigheid in gekregen en het tot fraaie resultaten gebracht. Men kan echter gevoeglijk aannemen, dat de weinige oude, meest zeer kostbare stalen, die tot ons gekomen zijn, door vakkundige handen op ateliers zijn vervaardigd. Dit geldt zeker ook voor de beroemdste aller middeleeuwse borduursels, dat ten name staat van koningin Mathilde, de gemalin van Willem van Normandië, als de ‘Veroveraar’ koning van Engeland. Op een strook linnen van 46 cm breedte is tot een lengte van ca 70 m de gehele geschiedenis van de verovering van Engeland geborduurd met wol, zijde en linnen garen. Het is een cultuurhistorisch monument van onschatbare waarde en wordt nog steeds bewaard te Bayeux, voor welks kerk het is gemaakt.

Engeland heeft een van de grootste middeleeuwse borduurscholen opgeleverd. Het opus anglicanum is van de 13e eeuw af in Europa beroemd geweest.

De in E. vervaardigde kerkgewaden zijn zelfs op vrij uitgebreide schaal naar het vasteland geëxporteerd. Typisch er voor zijn de lange smalle gestalten, die schijnen te zweven.

Een andere wijze van navolging van het kostbare weefsel is de beschildering en de druk. Kant is een textielsoort, die uitsluitend weeldeartikel is geweest.

G. T. VAN YSSELSTEYN

Jo de Jong, Weef- en borduurkunst (met fig. en afb.), 1933. . Hermann Schmitz, Bildteppiche, Geschichte der Gobelinwirkerei (met afb.), 2de dr. 1921.

H. Göbel, Wandteppiche, 6 dln (met pl. en afb.), 19231934.

Otto von Falke, Kunstgeschichte der Seidenweberei, 2 dln 1913. Migeon, Les arts du tissu, 2de dr. 1929.