Ensie 1947

Ensie deel 2, 1947, Anton Reichling S.J. en J.S. Witsenelias.

Gepubliceerd op 30-05-2019

2019-05-30

Taal (haar wetten en haar wezen)

betekenis & definitie

Spreken vervangt een reeks van handelingen :

‘Geef mij de boter eens even aan!’ En de boter, die een beetje te ver weg staat om er naar te grijpen, komt. Ik had kunnen opstaan, ’m zelf gaan halen; ik had ook mijn buurman een duw kunnen geven, op de boter wijzen en op mijn droge sneetje; ik heb dat alles niet gedaan: ik heb ‘gesproken’. Mijn spreken vervangt dus een reeks van mijn handelingen. Maar mijn spreken is zelf ook een handeling. Het is een handeling van een bijzonder soort: een ‘plaatsvervangende’ handeling, die me veel moeite bespaart. Om me die moeite te besparen gebruik ik spraakgeluiden. Die spraakgeluiden zijn een hulpmiddel, een instrument. En we hebben dus te maken met een plaatsvervangende instrumentele handeling.

Het spreken veronderstelt een hoorder. Ik zeg niet, dat iemand geen alleenspraak kan houden, maar ik zeg, dat iemand alleen ‘spreekt’ als hij zulke spraakgeluiden voortbrengt die anderen kunnen begrijpen. Spreken is in wezen een ‘coöperatieve’ instrumentele handeling: de taal is coöperatief of. . . zij is niet! Het spreken is verder niet alleen plaatsvervangend en niet alleen instrumenteel en coöperatief, maar het is ook ‘symbolisch’: we brengen ‘geluiden’ voort en we ‘weten’ daarbij dat we het over ‘zaken’ hebben: over ‘de boter’, die ‘mij’ ‘eens even’ moet worden ‘aangegeven’. Spreken is dus een vorm van ‘signaleren’, van tekens geven. Die tekens betekenen telkens ‘iets’ en dat ‘iets’ kan verschillen van vette boter tot een lichte nuance in mijn wijze van wensen: ‘eens’; van een richting van de handeling van mijn hoorder: ‘aan’, tot een vaststelling van de bepaaldheid van de boter waar het over gaat: ‘de’. De ‘plaatsvervanging’ blijkt dus van een bijzondere aard: wij ‘kennen’ in het gesprokene de ‘zaken’ waarover gesproken wordt. En dus is spreken een symbolische coöperatieve handeling met behulp van spraakgeluiden. Maar, we kennen in het spreken niet alleen de ‘zaken’, we kennen ook de spreker.

Ik bedoel: we horen wat hij is en wat er in hem omgaat. We horen aan zijn spraakgeluiden of hij een man is of een kind, kwaad of niet kwaad, zeker of onzeker, of hij wenst of beveelt of vraagt of mededeelt of iets uitroept. Het spreken heeft dus behalve een ‘zakelijk’ ook nog een ‘personaal’ aspect; en dat alles wordt kenbaar aan de geluidsstroom die wij als spreker uiten en waarnemen, en als hoorder waarnemen. En omdat het helemaal niet nodig is, dat de ‘zaken’ waar we ’t over hebben binnen onze waarneming van ’t ogenblik vallen (ik kan ook zeggen: Haal de boter eens uit de kelder), is het duidelijk dat én spreken én horen vormen van denken zijn. En dat datzelfde geldt van schrijven en lezen hoeft geen betoog. Spreken en schrijven zijn vormen van handelend denken, horen en lezen zijn vormen van waarnemend denken, en spreken, horen, lezen en schrijven noemen we ‘taalgebruik’; ‘spraak’ en ‘speech’ zegt men vaak met een weinig elegante term, ‘parole’ zeggen de Fransen. Het taalgebruik, in zijn vier schakeringen, is een bepaalde gedragsvorm van de mens, die hem nu precies van de dieren onderscheidt; daarover zijn alle onderzoekers van de meest uiteenlopende opvattingen het eens.

In het spreken brengen wij ‘geluidsbouwsels’ voort. Iedereen die een bepaalde taal beheerst, staat voor het feit dat het spreken zich voltrekt in duidelijk onderscheiden ‘eenheden’: in ‘zinnen’. Telkens opnieuw begint de spreker een bepaalde uiting, zet die een ogenblik of langer voort, en voltooit diezelfde uiting ook weer. En zonder enige reflectie, zonder theoretisch iets van taal te weten, hoort elke hoorder, hoe de spreker telkens aanzet, voortzet en voltooit. De zin is de taalgebruikseenheid tout court. De vraag is alleen maar: aan welk criterium onderscheiden we zo’n eenheid? Het onderscheidende kenmerk is een bepaalde ‘melodie’. Natuurlijk bedoelen we met dit woord ‘melodie’ niet een muzikale melodie, die wordt opgebouwd volgens een systeem van bepaalde intervallen. We bedoelen er wél mee: een afgerond geheel van hoogte-, sterkte- en duurverschillen in het spraakgeluid, eventueel onderbroken door in dat geheel passende rusten. Een dergelijke spraakmelodie noemen we de zinsklank. De zinsklank hoort tot het ‘musische’ aspect aan het spraakgeluid. Ondertussen, de zin wordt wel gekénmerkt door de zinsklank, maar de zin is méér. De zinsklank overkoepelt altijd, of dat nu in het Nederlands is, in het Chinees of in het Groenlands, een woord of een complex van woorden.

Die woorden horen tot het ‘phatische’ aspect van het spraakgeluid. De zin wordt gekenmerkt door de zinsklank, maar veronderstelt noodzakelijk woordmateriaal. Zinsklankuitingen zonder woorden of woordagglomeraties zonder zinsklank zijn, helaas, te horen in de klinieken van psychisch gestoorden. En natuurlijk, ook de normale spreker brengt wel eens een misbaksel voort. De zin is dus het door de zinsklank gekenmerkte woord of woordencomplex. De zinsklank vertoont verschillende vormen. Voor het Nederlands is dit onderzocht door A. W. de Groot. Hij onderscheidt drie grondvormen: de roep, de bewering en de vraag. Het is nog een probleem of deze zinsklank-categorieën in alle talen bestaan en op welke wijze zij gevormd worden in de talen waarin zij zeker wel bestaan. Maar geen probleem is het of de zinsklank overal waar mensen spreken hét kenmerk is voor de taalgebruikseenheid. Men meende lange tijd dat woord en zin ‘kwantitatief’ zouden verschillen: alleen als een taalgebruikseenheid uit meer dan één woord zou bestaan, zou men met een echte ‘zin’ te maken hebben. Dit is onjuist: woord en zin zijn correlatieve verschijnselen. De zin is niets anders dan het gebruikte woord of het complex van gebruikte woorden, gekenmerkt door de zinsklank. Wel is het waar, dat er pas van ‘taal’ kan worden gesproken als de gebruikseenheid meer dan één woord ‘kan’ omvatten.

Als een zin uit meer dan één woord bestaat, vormen die woorden één of meer ‘groepen’. Dit is in alle talen zo.

Het verband tussen die woorden en tussen die groepen van woorden in de zin noemen wij ‘syntactisch’ verband. Dit syntactisch verband wordt altijd kenbaar aan bepaalde vormverschijnselen. ‘Jan, zei de meester, is een mispunt,’ is heel wat anders dan ‘Jan zei: de meester is een mispunt.’ Hier is het een bepaalde geleding in de zinsklank, die de syntactische groepering kenbaar maakt. In ‘We zaten tegen de muur’ zijn twee groepen: ‘we zaten’ en ‘tegen de muur’. In dit geval is het de gedwongen opeenvolging die de groep ‘tegen de muur’ kenmerkt. In de Latijnse groep ‘Validi illorum dierum viri’ (de dappere mannen uit die dagen) zijn het én de woordsoort én de uitgangen die de samenhang kenmerken. In de Nederlandse voorbeelden is het onmogelijk de volgorde der samengevatte woorden te veranderen. De kenmerkende uitgangen van de Latijnse woorden brengen mee — en in de poëzie gebéurt dat ook — dat elke volgorde binnen deze groep mogelijk is. Het Chinees, dat geen woordsoorten, en nauwelijks iets dat op uitgangen lijkt, bezit, heeft dan ook een zeer precies bepaalde volgorde der woorden. Bij ons heerst in sommige gevallen vrijheid, maar de gebonden opeenvolging overheerst . Wij kunnen de woordgroep nu definiëren als een geheel van woorden dat bepaalde vormelijke kenmerken vertoont en dat door die kenmerken wordt onderscheiden van andere woorden of groepen van woorden. En hiermede hebben wij dan tevens een aanvulling gegeven op onze zinsdefinitie van hiervoor: het ‘complex van woorden’ is altijd een enkelvoudige of een samengestelde ‘groep’, waarbij we onder een ‘samengestelde’ groep verstaan: een groep die andere groepen of woorden mede omvat. De groepering doorloopt alle trappen van uiterste eenvoud tot verbijsterende ingewikkeldheid. Men vergelijke: ‘Hij komt’, met ‘Hij liegt overigens nu misschien toch ook wel niet altijd meer zo heel erg veel!’ De groepering is nog zeer weinig systematisch bestudeerd. Dat komt daarvandaan dat men meende, dat de structuur van de zin zou kunnen worden gevonden door de ons allen bekende zinsontleding, die niets anders is dan een, in talrijke gevallen bovendien nog verkeerd toegepaste, vergelijking van de taalverschijnselen met de categorieën der formele aristotelische logica. Men beschouwde de zin als de min of meer adaequate verwoording van het ‘oordeel’, en zocht nu naar ‘subject’ en ‘praedicaat’, naar modificaties van beide en naar de uitdrukking van de verbinding tussen beide. De theorie der ‘zinsdelen’ vindt inderdaad steun in enkele verschijnselen van sommige talen, maar zij kan alleen zonder inconsequentie en gewelddadigheden worden toegepast op grond van een voorafgaande juiste vaststelling van de betreffende woord-groepen.

Hetzelfde geldt tenslotte van de begrippen hoofd- en bijzin. Deze begrippen ontstonden omdat men in de aanwezigheid van een onderwerp en een gezegde een essentieel kenmerk van de zin zag, waarbij dan nog het gezegde als primair werd beschouwd. Zo kwam men er toe in een zin als: ‘Dat alle vogeltjes in Mei een ei leggen, is niet waar’, ‘is niet waar’ de hoofdzin te noemen omdat in de ‘bijzin’ onderwerp en gezegde van elkaar kunnen worden gescheiden door andere delen, terwijl toch beide ‘zinsleden’ t.o.v. elkander juist duidelijk als afhankelijk worden gekenmerkt: het zijn beide ‘open’ groepen, d.w.z. groepen die op grond van de syntactische gebruiksregels der samenstellende woorden deel moeten uitmaken van een grotere groep. Heel de leer der ‘zinsleden’ zal nog opnieuw moeten worden geschreven.

De zin omsluit meestal meer dan één woord. In zijn opstel over het Blackfoot heeft J. P. B. de Josselin de Jong ons voorbeelden gegeven van buitengewoon ingewikkelde polysynthetische verbaalvormen (zie blz. 20). Zo’n vorm maakt één woord uit en kan vaak onder één zinsklank het enige woord in een Blackfoot-zin zijn. Dat is voor ons allemaal heel ongewoon. Wij doen zo niet. Maar ‘soldatententententoonstellingsregelingscommissie’ is langer dan ‘stamatamaiiksaiitsimau’, en dat monster van ons kan ook één zin uitmaken. Bovendien kent het Blackfoot ook veel kleinere woordjes, die samen met andere in één zin voorkomen. En dat is zo in alle talen van de wereld. Overal constateren we het feit, dat bepaalde groepen van spraakklanken gebruikt worden om bepaalde ‘zaken’ of groepen van zaken te noemen. Ik herhaal: een zaak is voor ons datgene waar we met behulp van een woord over spreken; dat kan net zo goed een koe als een begrafenis zijn, een afstand tussen twee plaatsen als ‘wortel drie’ en nog veel meer. Over de zaken spreken we met behulp van de woorden, en we kunnen dat, omdat de woorden ‘betekenis’ hebben. Dat de woorden betekenis hebben wil in de eerste plaats zeggen dat we in de woorden iets denken. In het woord ‘kat’ denken we een zeker miauwend viervoetig dier, in het woord ‘stamatamaiiksaiitsimau’denken de BlackfootIndianen ‘toen ontkende hij het weer ten sterkste’. Doordat wij die gedachte a.h.w. projecteren op een bepaalde groep van spraakklanken maakt die groep een woordvorm uit. Zo is het, en niet omgekeerd. Er is niets in de klankgroep ‘k-a-t’ dat hem nu juist de speciale uitverkorene maakt om ‘kat’ te betekenen. Het is net omgekeerd: de Nederlandse gedachte ‘kat’ heeft die klankgroep a.h.w. uitverkoren. De Romeinen noemden zo’n beest ‘felis’ en de Blackfoot-Indianen zeggen, o wonder, ‘púsa’ (poesa), meervoud ‘pusaiks’. Dat zullen ze wel van de blanken hebben overgenomen. De betekenis is dus het denkmoment in het woord, dat aan de woordvorm zijn bestaan geeft. Maar die betekenis doet nog meer. Door middel van de betekenis noemen we in het taalgebruik met onze woorden de zaken. Wat is ‘noemen’? Noemen is weergevend uitwijzen naar iets door het gebruiken van woorden in een zin. De betekenis geeft weer wat wij in het woord over de zaken denken en in het spreken passen wij die gedachte toe op de zaken waarover we het hebben. De betekenis heeft dus een dubbel aspect: zij is determinant t.o.v. de woordvorm en in zoverre heeft zij een ‘taaltechnische’ functie, zij is uitwijzend t.o.v. de zaken, en in zoverre is zij ‘semantisch’, d.w.z. ‘betekenend’.

Wij kunnen dus zeggen dat de betekenis de gedachteeenheid is die aan de woordvorm zijn bestaan geeft en waardoor wij in het taalgebruik de zaken noemen.

De betekenis vormt met bepaalde constante klankengroepen een eenheid. Zo’n constante klankengroep maakt de woord-vórm uit. De woorden in de zin worden gekenmerkt door hun ‘isoleerbaarheid’ enerzijds en door hun volstrekte vormelijke bepaaldheid anderzijds. Onder isoleerbaarheid versta ik: de scheidbaarheid van een taaleenheid van en door gelijksoortige eenheden, waarmee zij in onmiddellijk verband gebruikt wordt; en met verband bedoel ik: onmiddellijke opeenvolging in de tijd, dus zó dat de klanken in continue opeenvolging achter elkaar worden gehoord. Nu is het een feit, dat de woorden twee eigenschappen vertonen, die het meest kenmerkend zijn voor hun isoleerbaarheid: zij zijn 1° altijd scheidbaar van elkander, zij zijn 2° vaak omstelbaar t.o.v. elkander. Scheiding: ‘Langzaam onttrokken hem (lichte) nevels (verder) aan ons gezicht.’ Omstelling: ‘Langzaam onttrokken nevels hem aan ons gezicht’. Het criterium der isoleerbaarheid is alléén aan het woord eigen. Nu het criterium der absolute vormelijke bepaaldheid. Dit houdt in, dat het in princiep onmogelijk is, de bepaalde opeenvolging van de klanken in de woordvorm te veranderen; gegeven eenmaal een bepaald woord, moeten de samenstellende klanken per se hun door onmiddellijke opeenvolging bepaalde plaatsen innemen: ‘kat’ kan niet ‘kta’ of ‘akt’ of ‘atk’ of ‘tak’ of ‘tka’ worden, maar ‘morgen komt hij’ kan wel voorkomen in de opeenvolging: ‘hij komt morgen’ of‘(ik geloof dat) hij morgen komt’. Ik zeg dat de absolute vormelijke bepaaldheid in princiep gegeven is, want er bestaat soms wel een zekere speling: we horen ‘gesp’ en ‘geps’ b.v. Over deze toevalligheid meer bij de behandeling van ‘Het taalsysteem’. We kunnen nu tenslotte het woord definiëren als een isoleerbaar, betekenis-dragend, naar opeenvolging en plaats der samenstellende klanken volstrekt bepaald taalbouwsel waarmee we in het gebruik de zaken noemen.

De woordvorm bestaat uit spraakklanken, maar wij kennen de woordvorm in de eerste plaats aan de totaalindruk die wij van hem hebben, en niet aan de spraakklanken ieder afzonderlijk. Dat is niets bijzonders, dat is in alle vormwaarneming zo: de samenstellende delen zijn voor de waarneming binnen zekere grenzen noodzakelijk, maar ze zijn secundair. We onderzoeken nu verder waarin de woordvorm bestaat. De woordvorm is een spraakgeluidbouwsel bestaande uit een geheel van naar opeenvolging en plaats principieel volstrekt bepaalde klinkeren/of medeklinkergeluiden, dat in lettergrepen is gescandeerd. Deze lettergrepen dragen bovendien in vele talen nog een of andere vorm van woordaccent, d.w.z. vertonen geluidsversterking of geluidsverhoging of een combinatie van beide, en ook duurverlengingen. Het verschil tussen de spraakklanken is een natuurlijk acoustisch gegeven en we vinden dan, als de twee meest extreem verschillende soorten van spraakklanken de klinkers en de medeklinkers. De klinkers worden in de eerste plaats gekenmerkt door wat ‘klankvolheid’ heet en secundair door wat men ‘klankhelderheid’ noemt. Verder vertoont de vocaal-klank geen op de voorgrond tredende ‘geruisen’. Bij de medeklinkers is alles juist omgekeerd. De consonanten worden in de eerste plaats gekenmerkt door vaak scherp dominerende geruisen of schuringen, of een soort al of niet herhaalde klap- of plofgeluiden van allerlei aard, terwijl secundair ook de helderheid een rol speelt. De volheid heeft nauwelijks enige functie.

Zo bestaat er tussen klinkers en medeklinkers een natuurlijk maximaal acoustisch contrast. En op het gebied der klinker- en medeklinkergeluiden ieder afzonderlijk bestaan ook weer natuurlijk gegeven maximale tegenstellingen, met alle mogelijke daartussen liggende kleinere verschillen. Van de klinkers contrasteren b.v. de z.g. open a, ie en oe onderling maximaal. In stemhebbende medeklinkers van allerlei aard worden het klinker- en het medeklinkerkarakter gecombineerd. Een duidelijk voorbeeld hiervan leveren onze neusmedeklinkers als m en n, waarin bij gesloten mond de neusholte sterk resoneert.

De wetenschap die zich met de acoustische eigenschappen en de wijze van voortbrengen der spraakklanken bezighoudt is de experimentele fonetica. Tot voor kort beperkte zij zich voornamelijk tot de studie van de wijze van voortbrenging en zo definieerde zij de spraakklanken in de eerste plaats naar de stand en de beweging der spraakorganen bij het voortbrengen van de klanken. Nu staan we voor het feit, dat de normaal horende mens de klanken waarneemt aan hun geluidskwaliteiten en niet aan hun wijze van voortbrenging; d.w.z. bij het spreken onderscheiden we de klanken van elkaar naar hetgeen we hóren, niet naar onze manier van articuleren. Met de grootste moeite en matig succes tracht men de z.g. ‘echte’ doofstommen er toe te brengen, op grond van de articulatorische verschillen de klanken juist voort te brengen en aan de spraakorganen van de spreker af te lezen. De articulatorische of z.g. ‘organo-genetische’ fonetica is van groot nut, maar voor de theoretische taalwetenschap is de ‘acoustische’ fonetica van nog groter belang.

Door de opeenvolging van klinkers en medeklinkers ontstaat noodzakelijk de lettergreep, die telkens gekenmerkt wordt door een bepaalde klank met een relatief maximum aan klankvolheid. En omdat de klankvolheid precies het dominerende klinkerkenmerk is, heeft een woord in de regel evenveel lettergrepen als er klinkers in zijn, gescheiden door medeklinkers of door een sluiting van de stemspleet. Maar er komen ook medeklinkers voor, die klinker-eigenschappen hebben, b.v. een z.g. ‘sonantische’ r. En zo heeft het Tsjechische woord ‘Brno’ twee lettergrepen: ‘Br’ en ‘no’. Wij kennen dat ook in onze Saksische dialecten, waar we b.v. ‘loopm’ vinden.

Op het gebied van het accent is ons nog veel onbekend. Maar wel is het een onomstotelijk feit, dat er, afgezien van de eigen geluidsvorm van de spraakklanken, geluidsversterkingen, -verhogingen en -verlengingen bestaan, die niet ‘personaal’ zijn (zie blz. 38), die niet een index zijn voor wat er nu juist op het ogenblik in de spreker omgaat, of wat aan déze spreker precies eigen is. Zo zijn er talen, als het Algemeen Nederlands, waarin elk meerlettergrepig woord ergens een accent heeft, dat in de eerste plaats door grotere sterkte wordt gekenmerkt. Andere talen, b.v. het Tsjechisch en het Hongaars, hebben het accent op een vaste plaats in het woord, i.c. op de eerste lettergreep. Naast het sterkte-accent (dynamisch of expiratorisch) vertoont zich het toonhoogte-accent (muzikaal). Dit bestaat vaak hierin, dat binnen één lettergreep toonhoogte-verschillen optreden. In Nederland vinden we dat in stukken van Limburg. Hierbij zijn natuurlijk verschillende gevallen mogelijk: het kan van hoog naar laag , van laag naar hoog , en ook golvend gaan, terwijl ook nog andere zeer ingewikkelde figuren voorkomen. Het toonhoogte-accent kan ook enkel bestaan in hoogteverschillen tussen verschillende lettergrepen onderling, terwijl dan tenslotte nog combinaties van deze twee gevallen kunnen voorkomen, zoals b.v. in het Chinees en (in zeer ingewikkelde vorm) in het Gweabo, een negertaal, gesproken in het O. deel van Liberia. En wat tenslotte de duur-verschillen aangaat: hieromtrent :s het onderzoek nog het minst gevorderd. In Europa geeft het Tsjechisch er zeer duidelijke voorbeelden van. Men bedenke, dat met duur hier linguistisch gebruikt tijdsverloop wordt bedoeld en niet ons z.g. ‘lang’ en ‘kort’ als b.v. tussen ‘taal’ en ‘tal’ bestaat; dit laatste onderscheid is nl. een verschil in klinkervorm en niet in ‘duur’.

De woordvorm tenslotte is een functionele vorm, d.w.z. een vorm die voor ons alleen waarde heeft door het gebruik dat wij ervan maken. Tegenover een functionele vorm staat een natuurlijke vorm, d.w.z. een vorm die uit het wezen der zaak waarvan hij de vorm is voortvloeit. Bij een natuurlijke vorm bestaat er een noodzakelijk verband tussen de individuele structuur van de vorm en de individuele zaak, bij de woordvorm is dit individuele verband afwezig. Wel is er in zoverre een verband tussen woordvorm en zaak, dat, gegeven eenmaal een bepaalde vorm voor een bepaalde zaak, het handelen over andere zaken verder noodzakelijk vormverschil meebrengt. Het is daarom niet juist de woordvorm zonder meer ‘willekeurig’ (arbitrair) te noemen. Dat we een zekere zaak ‘soep’ noemen, vloeit niet uit de aard van soep voort, maar gegeven dat we de vorm ‘s-oe-p’ gebruiken, is het alleen zonder bedenkelijke moeilijkheden mogelijk diezelfde zaak nu óók nog ‘p-oe-s’ te noemen, als we niet alreeds de vorm ‘p-oe-s’ voor een andere zaak gebruiken. De vorm blijkt dus al afhankelijk van een bestaande woordenschat. Uit het functionele karakter van de woordvorm vloeit anderzijds voort dat hij allerlei veranderingen kan ondergaan zonder zijn functie te verliezen. We zeggen op z’n tijd: ‘Kebm’, ‘k Hep ’m’ en ‘Ik hep hém!’, waarbij de vormen: ‘ik’, ‘hep’ en ‘hem’ allemaal veren laten, of krijgen! Er kunnen dus allerlei klanken verloren gaan of veranderen en er kan nog véél meer. Maar, aan de opeenvolging en de plaats kunnen we alleen ‘bij uitzondering’ raken: we denken weer aan gesp en geps.

Opeenvolging en plaats zijn de specifieke geheel-eigenschappen van de woordvorm, die zich primair als geheel te kennen geeft. En hiermee zijn wij op ons uitgangspunt terug.

De term ‘betekenis’ is de nachtmerrie van de taalkunde, omdat hij van alles ‘betekent’. Zo wordt er ook gesproken van de ‘betekenis’ van de zin. En natuurlijk, de zin betekent, hoe dan ook, altijd iets,maar er is een geweldig onderscheid tussen de wijze van ‘betekenen’ van de zin en die van het woord. De betekenis van het woord is een constante, in een bepaald woord vastgelegde eenheid, de gedachte die de ‘zinsinhoud’ uitmaakt, is daartegenover in princiep vrij en niet vastgelegd. In de zin kunnen we hele reeksen woordbetekenissen op allerlei verschillende wijzen tot een nieuwe eenheid synthetiseren, in het woord daarentegen blijft de betekenis-eenheid in beginsel altijd dezelfde. De ‘zinsinhoud’ moet telkens uit de verschillende woorden worden ‘gesynthetiseerd’, opgebouwd, de woord-betekenis wordt in de verschillende zinnen daarentegen telkens weer ‘geanalyseerd’, gedifferentieerd, gebruikt volgens éne van haar vele mogelijkheden. Neem de twee zinnen: ‘De meubelmaker zal vandaag de tafel thuisbrengen’ en ‘Het is om twaalf uur tafel’. Het woord ‘tafel’ is in beide zinnen identiek en de betekenis-eenheid is volkomen constant en maakt de woordvorm ‘t-a-f-e-1’ kenbaar. Maar, binnen die constante en identieke eenheid denken we verschillende ‘onderscheidingen’, verschillende ‘notae’ van de éne betekenis ‘tafel’. Uiterst vereenvoudigd: in de tweede zin komt binnen de betekenis van het woord ‘tafel’ op een of andere wijze de onderscheiding ‘maaltijd’ voor.

We stoten hier op het feit der z.g. polysemie van het woord. Men drukt dit gewoonlijk zó uit, dat men zegt: een woord kan zeer veel verschillende ‘betekenissen’ hebben. Dit is niet juist. Een woord heeft altijd één betekenis, maar binnen die éne betekenis komen zeer verschillende onderscheidingen voor. Elk woord is van nature veelzinnig en het is volstrekt niet nodig, niet mogelijk zelfs, om al de onderscheidingen die we binnen één betekenis hebben leren kennen en leren toepassen, alle tegelijk te denken. De onderscheidingen binnen de betekenis zijn dus disjunctief ‘relevant’, d.w.z. niet alle mogelijke betekenis-onderscheidingen zijn nodig om een woord met een bepaalde betekenis te gebruiken, nodig zijn slechts een enkele of enkele onderscheidingen, die bovendien voortdurend verschillende kunnen zijn.

Op dit feit der disjunctieve relevantie der betekenisonderscheidingen berust een zeer belangrijk gebruiksverschil van hetzelfde woord. We kunnen nl. een zaak noemen zó dat we alle betekenis-onderscheidingen, die we op het ogenblik in een bepaalde betekenis denken, op de zaak in kwestie toepassen, óf we kunnen uit dezelfde betekenis-onderscheidingen er maar enkele of één enkele toepassen. De eerste vorm van gebruik noemen we conjuncte, de tweede disjuncte betekenis-toepassing. Dedisjuncte toepassing is het z.g. metaforisch woordgebruik.

De conjuncte toepassing is de gewone, de disjuncte de ongewone, de opvallende. Als een echtgenoot van de jurk van z’n vrouw zegt: ‘Wat heb jij daar voor een zak aan’, dan past hij de vormeloosheid uit de ‘zak’-betekenis toe op de vorm van z’n vrouws jurk, terwijl de onderscheidingen: voorwerp om b.v. aardappelen of kolen te vervoeren, die volstrekt niet toegepast worden maar die zij wel op een of andere manier in deze betekenis denken, verder het hunne doen om Mevrouw te doen weten, dat zij er niet in past. Dit is disjuncte, metaforische, betekenistoepassing. Zij is niet altijd opzettelijk, maar zij is wel altijd bewust. Het bewustzijn der tegenstelling tussen de toegepaste en niet-toepasselijke onderscheidingen binnen de betekenis maakt een bepaald gebruik tot ‘metaforisch’.

We zagen hiervoor, dat de ‘taaltechnische’ functie van de betekenis, d.w.z. het feit dat zij de woordvorm stempelt tot vorm van dit bepaalde woord, niet identiek is met haar semantische aspect. En zo komt het voor, dat verschillende woorden eenzélfde vorm kunnen hebben en toch een verschillende betekenis. De vorm l-ee-r’ is zowel de vorm van een woord dat ‘ladder’ betekent als van een woord dat ‘gelooide dierenhuid’, als van een woord dat ‘theorie’ betekent. We hebben hier te maken met drie woorden die ook in oeroude tijden geen enkel verband hadden. Ze vertonen evenmin verband in de tijdsopeenvolging (diachronisch) als in hun gelijktijdig gebruik (synchronisch). Dit is anders met woorden als ‘bank’ (verkooptafel) en ‘bank’ (crediet-instelling). Ook deze beide woorden zijn voor de gebruikers van heden verschillende woorden, maar het tweede woord heeft zich ontwikkeld uit het eerste. Er is hier geen synchronisch, maar wel diachronisch verband. Woorden met gelijke vormen maar verschillende betekenissen heten homoniemen. Dat we met twee verschillende woorden te maken hebben als de vormen verschillen is duidelijk, maar hoe weten we dat twee woorden verschillend zijn als hun vormen gelijk zijn? Wij hebben te maken met één woord als de onderscheidingen binnen zijn betekenis voor dezelfde gebruiker (dus synchronisch) bij conjunct gebruik één reeks vormen. Er bestaat van geen enkel woord zoiets als een ‘kern-betekenis’ in de zin van een constante groep van onderscheidingen. Geen enkele onderscheiding is in wezen constant. Wel bestaat er van elk woord, zowel diachronisch als synchronisch beschouwd, een beginbetekenis, en ook bestaat er heel vaak een meest voorkomende gebruiksvorm van een woord.

Enkele tientallen jaren geleden maakte men, en ongetwijfeld zeer terecht, veel werk van de studie der z.g. gevoelswaarde van de woorden, maar men rekende die ten onrechte tot de ‘betekenis’. De ‘gevoelswaarde’ bestaat in datgene wat we in het gebruik van een bepaald woord er‘bij’ denken of gevoelen. Zo is het woord ‘secreet’ niet ‘netjes’, en dat niet omdat het iets onnets betekent, maar omdat men het woord alleen gebruikt als men zelf niet ‘netjes’ is.

Het woord ‘taal’ is even veelzinnig als elk ander woord. Bij de term ‘taalgebruik’ denken we het eerst aan de ‘taal’ als de taalschat, d.w.z. het geheel van taalbouwsels dat iemand ter beschikking heeft. Dat zijn dus de woorden die hij kent, de uitdrukkingen en hele zinnen die hij voortdurend gebruikt. Maar in die woorden zijn ook begrepen de klanken zoals hij die gebruikt, en in de uitdrukkingen en de hele zinnen de groepen; en dit alles fungeert bovendien bij de taalgebruikers als typen waarnaar zij zich bij het maken van nieuwe constructies richten.

In de voorafgaande bladzijden hebben we de fundamentele categorieën beschreven die we in elk taalgebruik overal ter wereld aantreflën: zinnen, woordgroepen, woorden, spraakklanken. We wezen niet uitdrukkelijk op het feit, dat elk taalverschijnsel een ‘structuur’ vertoont. En toch is het die structuur, die de functie van de verschijnselen mogelijk maakt. Wat is dan die structuur? Het woord ‘pak’ moet worden gebruikt naast andere woorden. Dat is een eigenschap van elk woord-‘geheel’. Dit kan alleen door een vaste volgorde der spraakklanken: anders krijgen we b.v. ‘kap’. De vaste volgorde der spraakklanken vloeit dus uit de aard van het geheel voort. Maar, het woord heeft ‘delen’ ook, b.v. ‘p-a-k’, en ook zo’n klank heeft weer ‘delen’, in dit geval klankeigenschappen. De k b.v. vertoont 1° een soort klapgeluid, 2° een bepaalde nuance van dat klapgeluid, omdat het ontstaat doordat de tong zijn afsluiting tegen het verhemelte verbreekt. De f heeft weer heel andere eigenschappen, waardoor hij verschilt van de k en zo kan er ook een woord ‘paf’ worden gevormd. Maar déze ‘klank’-verschillen zijn niet beslissend voor de waarde, of voor het optreden van een bepaalde klank in een bepaalde taal: p en b ‘verschillen’ ook en wij Nederlanders gebruiken dat verschil, maar de Indianen die ‘Upper Chinook’ spreken, en veel andere volken, doen dat niet. Tot het wezen van de spraakklanken behoort het dus deel uit te maken van een bepaald geheel van spraakklanken, die op bepaalde wijze worden gebruikt. Het gebruik van klankverschillen gaat dus terug op hun deelgenootschap aan een bepaald geheel, waarbinnen hun acoustische eigenschappen op een bepaalde manier tot hun recht komen of verwaarloosbaar zijn. Het woord ‘pak’ blijkt dus geordend op grond van zijn aard als geheel en op grond van de aard van zijn delen, die op hun beurt ook weer geordend zijn. Nu noemen we de ordening van een taalverschijnsel voor zoverre die voortvloeit uit de aard van het geheel en van de delen in hun onderlinge verhouding de structuur van dat verschijnsel. En zo is de taal door en door gestructureerd. En deze ‘structuur’ is, zoals we zagen, ‘functioneel’, d.w.z. zij is niet identiek met de fysische ordening: de p en de b behoeven niet per se als onderscheiden spraakklanken te worden gebruikt, ook al ‘verschillen’ ze acoustisch nog zo systematisch.

Structuur houdt ‘ordening’ in en ordening kan alleen geschieden volgens bepaalde princiepen, die zelf ook weer geordend samenhangen, anders ontstaat er ^ geen structuur, maar chaos. De taak van de taalwetenschap is het derhalve, na de struc’ tuur te hebben blootgelegd, de princiepen van ordening te achterhalen en te verklaren. Nu heet een geheel van geordende princiepen een ‘systeem’ en zo zoekt de taalwetenschap naar het taal-systeem. Met ‘systeem’ wordt hier geen abstract ‘stelsel’ bedoeld, maar een geheel van geordende princiepen volgens welke wij bij het maken en het gebruiken van de taal-producten te werk gaan. Het taal-systecm is dus de reële determinant van ons handelen als taalgebruikende mensen. De taalkunde mag geen systeem ‘ontwerpen’, maar moet zoeken naar het systeem dat de structuur van de taalproducten en van het taalgebruik beheerst. Bij onze eerste analyse van het taalgebruik stootten we al aanstonds op het meest fundamentele princiep, d.w.z. de meest fundamentele determinant waaruit heel de structuur van de taal voortvloeit, nl. de coöperatieve instrumentele teken-functie met behulp van spraakgeluiden. En zo kunnen wij het taalsysteem definiëren als ‘het geheel van door de linguistische tekenfunctie bepaalde princiepen waardoor de structuur der taalproducten en het taalgebruik worden beheerst’. Het is deze systematiek, die verklaart waaróm er zinnen en woorden zijn en heel de rest, en die tevens verklaart waarom hun structuur is zoals zij is. En nog eens: het taalsysteem is geen abstract stelsel van begrippen, die een bepaalde waarheid inhouden, maar een geheel van ‘drijfveren’ a.h.w., volgens hetwelk wij hendelen. Dit systeem heeft dan ook niet de absolute geldig! eid van een logisch opgebouwd stelsel, maar het heeft alleen de waarde van een practisch richtsnoer. Wanneer we ons doel kunnen bereiken zonder ‘systematisch’ te handelen, dan kunnen we dat doen (zie blz. 39). Het taalsysteem laat een speling toe, die bij een ‘stelsel’ ondenkbaar is: we denken weer aan ons ‘gesp’ en ‘geps’.

De ‘taal’ heeft een volstrekt universeel karakter: d.w.z. zij maakt coöperatief instrumentele symbolisering van alles mogelijk. Deze universaliteit is een grondtrek van haar wezen: de mens staat binnen zijn natuurlijk kennen voor niets, en zo staat de taal ook voor niets: zij kan alles. Natuurlijk is het heel wat anders of haar princiepen alles mogelijk maken of dat de mens in feite met taal ook alles afdoende symboliseert. Dit laatste hangt af van een doelmatige toepassing van de princiepen, en daaraan ontbreekt in de concrete talen wel eens wat, om van het gebruik dat de individuen van hun taal maken nog maar te zwijgen! Ondertussen is het ons nu mogelijk te zeggen wat ‘de taal’ is. De taal is het geheel van de, door het taalsysteem beheerste, taalschat en de gebruikte taalbouwsels, die het universeel coöperatief instrumenteel teken-gedrag van de mens mogelijk maken. In één doorgaande lijn beheerst de systematiek de structuur van taalschat, taalbouwsels en taalgebruik.

Het taalprinciep volgens hetwelk elke taalgebruiker handelt is, zoals we zeiden, de coöperatief instrumentele symbolisering met behulp van spraakgeluiden. Dit is alleen mogelijk door de aanwending van een meerdimensionaal teken-systeem, d.w.z. een systeem dat verschillende soorten van tekens gebruikt, die naar de vorm systematisch worden gedifferentieerd en naar hun ‘betekenis’ systematisch worden gesynthetiseerd. Zo bouwt de taal systematisch, uit relatief constante woorden, relatief veranderlijke groepen en zinnen op, en dit met behulp van een aantal princiepen die zowel de woordbouw als de syntactische groepering als de zinseenheid betreffen. Uit het princiep der coöperatief instrumentele symbolisering vloeit het princiep der meerdimensionale symbolisering onmiddellijk voort, en als derde in de trits het princiep der vormkenmerking door vorm-oppositie, vorm-tegenstelling. Door deze vorm-opposities, d.w.z. door verschillen die gepaard gaan met overeenkomst, worden de verschillende soorten van tekens en de tekens onderling in geheel de taal systematisch onderscheiden. Het princiep der systematische toepassing van vorm-opposities is het princiep, dat de structuur van alle individuele taalvormen en van alle taalcategorieën onmiddellijk beheerst. Gegeven deze drie algemene principes bepalen dan telkens weer bijzondere princiepen de bouw der elementaire linguistische categorieën. Wij bespreken slechts enkele van deze princiepen.

Het woord wordt uitgebouwd in spraakklanken volgens twee princiepen: het princiep der woordkenmerking en het princiep der woordonderscheiding. Het princiep der woordkenmerking luidt: door hun systematisch gebruikte oppositie t.o.v. de andere spraakklanken maken de spraakklanken als ‘deel’ het woord-‘geheel’ kenbaar. De spraakklank functionneert dus juist zóver als woordkenmerk als hij in tegenstelling tot andere klanken wordt gebruikt. Dat de klank vóór de d in ‘zakdoek’ geen k is, zoals de k aan het begin van ‘kaal’ b.v. of aan het eind van ‘tak’, laat ons Nederlanders Siberisch koud, omdat wij die klank nooit ‘onafhankelijk’ — dat wil hier zeggen, nooit buiten bepaalde ‘verbindingen’ tussen twee woorden onderling of tussen twee delen van een samenstelling — gebruiken: we laten hem nooit horen aan het begin van een woord in de zin of aan het eind, of in het midden van een niet-samengesteld woord. Zowel de Engelsen als de Fransen en de Duitsers gebruiken deze klank wel onafhankelijk, b.v. in ‘good’, ‘gant’ of ‘gelb’. Bij ons heeft de k dus een veel grotere ‘speelruimte’ a.h.w. dan in die andere talen: hij omvat mede de klank vóór de d in ‘zakdoek’. Opnieuw blijkt dus dat niet de fysische vorm bij het functionneren van een spraakklank de overhand heeft, maar het systeem van tegenstellingen waarin hij wordt gebruikt, en zo kunnen we een spraakklank volgens zijn systematische functie definiëren als een klank die onafhankelijk woord-kenmerkend kan worden gebruikt. Zo’n klank noemen we een foneem. Practisch komen de fonemen in de ons goed bekende talen vrijwel overeen met de klanken die door de letters van het alfabet worden aangeduid . De woorden in de taal moeten uiteraard van elkander onderscheiden worden. Gebeurt dit door de fonemen? Zonder twijfel, maar niet in de eerste plaats door de fonemen. Niet het verschil in fonemen is de absolute voorwaarde voor de woordonderscheiding; de absolute voorwaarden zijn de geheel-eigenschappen: combinatie en plaatsing. Nemen we de woorden ‘kap’ en ‘toon’. Zijn die van elkander onderscheiden omdat ze ieder drie verschillende fonemen inhouden? Neen. Want met precies dezelfde fonemen kunnen we ook de woorden ‘pak’ en ‘noot’ krijgen. Bepaalde combinatie en bepaalde plaats praevaleren dus: het zijn absolute grootheden, terwijl de spraakklanken als zodanig nog speling laten. Wordt dus op grond van het princiep der woordkenmerking het woord kenbaar, het wordt onderscheiden op grond van het princiep der woordonderscheiding, dat luidt: onder het primaat van de combinatie en plaatsingsregels worden de woorden met behulp van de fonemen onderscheiden en krijgen zo een bepaalde fonematische vorm. Hier stoten we op het princiep, dat ten grondslag ligt aan hetgeen wij hiervoor, in de paragraaf over het woord, zijn ‘absoluut vormelijke bepaaldheid’ noemden.

Het natuurlijke gegeven der ‘syllabering’ kenmerkt per se ieder woord, maar werkt volstrekt niet per se onderscheidend.

En wat nu de woordbetekenis betreft: deze functionneert op grond van het princiep der beweeglijke en combinatorische symbolisatie. Zou elk woord maar één conjuncte betekenis-realisatie hebben, d.w.z. maar voor één zaak in één bepaalde situatie kunnen worden gebruikt, dan zou de mens een zo groot aantal woorden moeten leren, dat geen sterveling die kan onthouden. Maar dat hoeft niet: denken we maar aan het woord ‘bank’ of‘spel’ of‘lopen’ (de kraan loopt). En nu wijs ik hier nog maar alleen op de ‘polysemie’: er zijn nog andere vormen van beweeglijke symbolisatie, b.v. de metaforiek. Ondertussen heeft die beweeglijke symbolisatie als we ze op zichzelf beschouwen natuurlijk ook grote nadelen: ze zou meebrengen dat we als hoorder de woorden voortdurend met de gegevens in de situatie zouden moeten vergelijken om te weten wat de spreker bedoelt. Maar, dit bezwaar wordt in princiep ondervangen doordat de woorden tevens ‘combinatorisch’ symboliseren, d.w.z. elk woord kan per se met een ander woord in een groep of in een zin worden samengevat. Daardoor krijgt de zin per se een geleding, die aan de fonematische vorm der woorden afleesbaar is en die het mogelijk maakt de woorden in groepen samen te vatten, en zo elkanders betekenis te doen bepalen. Maar de combinatorische symboliseringswijze is wel het fundament waarop die wederzijdse betekenisbepaling der woorden berust, maar zij levert zelf nog geen onderlinge bepaaldheid der woorden op. Immers, we moeten weten ‘hoe’ de woorden in elk concreet geval moeten worden samengevat. Welnu, die samenvatting geschiedt volgens het syntactische princiep der ‘groepering’. Veronderstel, we hebben als onverbuigbare woorden ‘berg’, ‘op’, ‘wit’ en ‘hut’. Waarbij hoort nu ‘wit’, bij ‘berg’ of bij ‘hut’? U zegt, dat is eenvoudig. Zet ‘wit’ bij ‘hut’ b.v. en de zaak is klaar: ‘wit hut op berg’. Zo eenvoudig is het niet, want nu hebben we, net als bij het geval van ‘kap’ en ‘toon’, iets over het hoofd gezien. Waarbij hoort volgens dit princiep ‘wit’ als ik nu eens zeg: ‘op berg wit hut’ of ‘hut wit berg op’. ‘Bijeenplaatsing’ levert dus alleen toevallig een oplossing: het princiep dat aan de interpretatie ten grondslag ligt kan niet primair de bijeenplaatsing zijn, maar het is het princiep der bepaalde volgorde. Dat princiep kan op verschillende wijzen worden toegepast. Het kan b.v. luiden: het voorafgaande woord moet telkens gecombineerd worden met het eerstvolgende woord waaraan in de gegeven taal zijn betekenis ondergeschikt kan zijn. Nu zijn ook én ‘op berg wit hut’ en ‘hut wit berg op’ volmaakt duidelijk. Hieruit volgt dat syntactische systematisering ' tot het wezen der taal behoort en dat het groeperingsprinciep in zijn meest elementaire vorm luidt: de woorden moeten worden samengevat op grond van een nader te bepalen princiep van volgorde, waaruit bepaalde bijeenplaatsingen volgen.

Het Chinees kent zo volgens sommige geleerden twee elementaire princiepen, waardoor bij het optreden van een woord dat een ‘proces’ (een werking enz.) noemt, de daaropvolgende woorden met dit woord moeten worden gecombineerd, terwijl bij het optreden van een woord dat een ‘ding’ noemt of in het algemeen iets dat wij met een zelfstandig naamwoord noemen, juist de voorafgaande woorden met dat volgende woord worden gecombineerd. Hier is het dus de, aan de woordvorm waarneembare, volgorde die in haar tegenstelling kenmerkend werkt voor de groepering.

Er is nog een tweede volstrekt algemeen middel tot groepering: dit bestaat in het'aanbrengen van bijzondere geledingen in de zinsklank. Daarmee kan elke groep volkomen duidelijk worden opgebouwd: we herinneren ons het voorbeeld van de meester en het mispunt. Dit middel wordt weer in alle talen toegepast. In het Chinees, dat door zijn toonhoogte-verschijnselen toch al reeds een zeer gecompliceerde geluidsstructuur heeft, is dit middel niettemin het meest effectief groepvormende.

Er bestaat nog een derde mogelijkheid om het bijeenbrengen van de woorden aan te geven. Deze mogelijkheid is gelegen in het aanbrengen van bepaalde groeperende vormkenmerken aan de woorden. Zij is niet in alle talen gebruikelijk, ook al is zij zeer algemeen. In het Suaheli b.v., een Afrikaanse Bantoe-negertaal, wordt het bijeenhoren van de groep: ‘Kile (dit) kisu (mes) kikukuu (oude) kimevikhata (heeft gesneden),’ aangegeven door het voorvoegsel ‘ki-’, telkens bij elk woord herhaald.

In het Latijn hebben de uitgangen van de verschillende woordsoorten sterk groepvormende werking. Maar dit neemt toch niet weg dat hier, zoals trouwens in alle andere talen, toch de princiepen der volgorde en der zinsklankgeleding ook moeten worden gehandhaafd, zij het dan in veel minder dwingende vorm dan b.v. in het Chinees. Een groep als ‘Honor validarum illarum urbium mulierum’ (de eer van de dappere vrouwen dier steden) is voor de juiste samenvatting der woorden ‘morfologisch’ een volmaakt raadsel. Ze kan ook betekenen: de eer van die dappere steden der vrouwen. Natuurlijk zal geen Romein hier inlopen en hij zal omschrijvingen toepassen. De enige middelen die hem op het plan der woord-combinatie ten dienste staan om de vaagheden die de morfologie (d.w.z. de systematische grammatische vormverschijnselen aan het woord) laat, op te heffen, zijn ook hier weer de toepassing der volgorde en/of der zinsklankgeleding, ‘Honor illarum urbium, mulierum validarum’, ‘Honor validarum, illarum urbium, mulierum’.

En wat nu tenslotte de zin betreft: er bestaat geen enkel middel om met groepkenmerken aan te geven dat de betreffende uiting voltooid is. Wel hebben sommige talen, en met name weer het Chinees, kleine woordjes waarvan de functie is om aan te geven dat de zin uit is, maar . . . deze middelen helpen niet, zodra de spreker zijn zinsklank zó moduleert dat hij deze zelf niet afsluit. Het enige volstrekt afdoend functionnerende middel tot kenmerking van de zinseenheid is ook in het Chinees de zinsklankeenheid. En zo zijn we dan eindelijk gekomen aan het laatste en sluitende princiep der taal-systematiek, het princiep der ‘musische’ kenmerking van de zins-eenheid. De zinsklank staat als musische spraakgeluidsvorm in tegenstelling tot al het'phatische’en, voltooid, contrasteert elke individuele zinsklank met elke volgende nieuwe aanzet.

Tussen de fundamentele linguistische categorieën fungeert dus telkens opnieuw een nieuwe ‘dimensie’, die in een bepaalde vormtegenstelling staat tot de andere dimensies, taalvorm-kenmerkend. En ook tussen elke individuele taalvorm binnen een bepaalde categorie en elke andere soortgelijke fungeert telkens weer opnieuw de vormtegenstelling. Zo is de taal een door en door gestructureerd tekensysteem dat in laatste instantie wordt beheerst door de princiepen der coöperatief instrumentele en meerdimensionale symbolisering en het princiep der systematisch toegepaste spraakgeluids-tegenstellingen.

Wij spraken tot nog toe over ‘linguistisch’ en ‘grammatisch’ zonder uitdrukkelijk onderscheid te maken. En toch is dat onderscheid zeer wezenlijk: het betreft de verhouding van de verschijnselen tot een verschillende norm: in het eerste geval tot de taal als acoustisch tekensysteem, in het tweede geval tot de andere verschijnselen in dezelfde taal. Er is dus aan elk taalverschijnsel een linguistisch en een grammatisch aspect, d.w.z. elk verschijnsel is een uitdrukking van ‘de’ taal in ‘deze’ taal.

De verschillende algemene en bijzondere systeem-princiepen bepalen het bestaan van reeksen van soortgelijke verschijnselen. Zo’n reeks noemen we een ‘categorie’. Een linguistische categorie is dan een geheel van soortgelijke taalverschijnselen dat voortvloeit uit de aard van de taal als acoustisch tekensysteem. Sommige linguistische categorieën vloeien ‘noodzakelijk’ voort uit de taal-systematiek en we vinden ze in alle talen: ze zijn ‘algemeen’; zo b.v. de zin, de woordgroep, het woord, het foneem; andere categorieën zijn ‘bijzonder’, d.w.z. ze vloeien weliswaar voort uit de taal-systematiek, maar hun gebruik is niet noodzakelijk: de éne taal kent ze, de andere kent ze niet; ze zijn ‘toevallig’; de ene taal heeft naamvallen, de andere taal heeft die niet, de ene taal geeft aan het werkwoord •een vaste plaats, de andere niet. Concreter: een possessieve genitief van het Latijn is iets geheel anders dan de met een afschuwelijke naam genoemde z.g. ‘omschreven genitief’ van het Nederlands. In talen die een ‘inclusieve’ en een ‘exclusieve’ meervoudsvorm kennen (zie blz. 18) is zo’n meervoudsvorm weer iets heel anders dan een meervoudsvorm in alle talen die een ongedifferentieerde ‘wij’-vorm kennen. En niet alleen dat de ‘bijzondere’ linguistische categorieën van taal tot taal kunnen verschillen, ook de ‘algemene’ linguistische categorieën kunnen in elke taal een eigen vorm krijgen: de fonemen en de fonematische woordstructuur van het Frans en het Siamees zijn geheel verschillend, de woordplaatsingsregels van het Nederlands en het Birmaans luiden totaal anders, de mogelijkheden tot groepvorming door zinsklankgeleding verschillen hemelsbreed in het Grieks en in het Chinees. De onderscheiden vormen nu, die de algemene en bijzondere linguistische categorieën in de verschillende talen vertonen, maken de grammatische categorieën uit, en zo is b.v. zelfs het Nederlandse woord ‘grammatisch’ iets anders dan het Blackfoot-woord, ook al is het woord in beide talen als een volstrekt algemeen taalverschijnsel aanwezig: ‘linguïstisch’ derhalve, d.w.z. in hun verhouding tot de taal als acoustisch tekensysteem, zijn ze identiek.

De taal berust niet op een soort ‘afspraak’ tussen de gebruikers. Zij wordt enerzijds door ‘natuurlijke’, anderzijds door culturele factoren bepaald. Onder ‘natuurlijke factoren’ versta ik die factoren, die voor elke taalgebruiker een noodzakelijkheid uitmaken, onder ‘culturele factoren’ die factoren, die uitsluitend op het speciale milieu van de taalgebruikers teruggaan. Zo berust de taal op de natuurlijke tegenstellingen in de al even natuurlijke menselijke geluidsgeving: op de tegenstelling tussen het musische en het phatische enerzijds, en de tegenstellingen binnen deze twee dimensies onderling. Zij berust eveneens op de wetten van het natuurlijke menselijke symbolische gedrag: zal er ‘taal’ zijn, dan moet er beweeglijke en combinatorische symbolisering zijn, syntaxis en zinsklank-vorming. En aangezien de mens van nature een sociaal wezen is, berust zij tenslotte van nature ook op de beslissende invloed van de omgeving waarin de mens opgroeit en leeft, op de beslissende sociale invloed. Zo ontstaat ‘taal’ in wezen ‘van nature’. Met ‘afspraak’ heeft dit alles niet van doen.

Maar, de medaille heeft een keerzijde: er ontstaat geen taal zonder een of andere vorm van een ‘leer-proces’. Niet in de eerste plaats een leren van ‘woorden’, van ‘groepen’, van ‘zinnen’: de taalschat wordt maar voor een klein deel opgebouwd op grond van een uitdrukkelijk leer-proces: we ‘maken’ onze taal, door, onder sociale ‘dwang’, het ‘systeem’ te leren, d.w.z. door practisch te leren hoe we moeten ‘doen’. Welnu, dit ‘leren’ is, hoe dan ook, een culturele handeling en zo slaat de leerling, onder invloed van zijn omgeving, de wegen in, die de algemene linguistische systematiek ‘open’ laat: er is zeer veel in elke concrete taal dat zó is, maar ook anders zijn kon. Dit is het ‘toevallige’ in elke concrete taal. Dit toevallige, dit ‘zozijn’, wat ook ‘anders-zijn’ kon wezen, heeft altijd ook oorzaken die niet uit de systematiek qua tale voortvloeien: die oorzaken moeten ons het historisch, het sociologisch, het ethnologisch, het psychologisch en zelfs het biologisch onderzoek leren. Hoezeer dit ‘toevallige’ ook weer door en door ‘gestructureerd’ kan zijn, en hoezeer de grammatica als de wetenschap van de structuur der onderscheiden talen in haar toevallig aspect, ook deze structuur moet beschrijven en verklaren, de taalwetenschap komt er niet met uitsluitend structureel onderzoek, zij heeft méér te doen. Maar, dit meerdere kan zij alleen volbrengen als haar een structuurleer ter beschikking staat. Die structuurleer, beperkt tot de leer der synchronische verschijnselen, trachtte het onderhavige opstel in grote lijnen voor de lezer te ontvouwen. ANTON REICHLING S.J.

Ferdinand de Saussure, Cours de linguistique générale, 3de dr. 1931.

Charles Bally, Linguistique générale et linguistique française, 2de dr. 1944.

Edward Sapir, Language, 1939.

Alan H. Gardiner, The theory of speech and language, 1932.

Will. L. Graff, Language and Languages, 1932.

Karl Btihler, Sprachtheorie, 1934.

N. van Wijk, Phonologie, 1939.
N. S. Trubetzkoy, Grundzüge der Phonologie, 1939.

Anton Reichling S. J., Het Woord, 1935.

G. Révész, Ur sprung und Vorgeschichte der Sprache, 1946.
A. W. de Groot, De structuur van het Nederlands, Nieuwe Taalgids, 33ste jaarg., 1939, blz. 212-225; Structural Linguistics and Phonetic Law. Archives néerlandaises de Phonétique Expérimentale, tome 17, 1941, blz. 71-106.