Ensie 1947

Ensie deel 2, 1947, Anton Reichling S.J. en J.S. Witsenelias.

Gepubliceerd op 30-05-2019

2019-05-30

Scandinavische letteren na 1500

betekenis & definitie

De Scandinavische literatuur heeft zich eerst laat ontwikkeld. Zij hangt ten nauwste samen met de Westeuropese literatuur en krijgt haar impulsen, met in verschillende perioden wisselende intensiteit, van Duitsland, Frankrijk en — zij het ook in mindere mate — van Engeland.

In de tijd, toen het internationale contact nog beperkt was, was D. de natuurlijke schakel tussen Scandinavië en de andere Europese landen. Vooral in de 17de eeuw is dit voor Scandinavië een ongunstige toestand.

Nog heel lang kan men hier een achterstand waarnemen ten opzichte van de Westeuropese letterkunde. Voor degene, voor wie de literatuur der Scandinavische landen geen studieobject is, begint zij eerst in de 18de eeuw interessant te worden.

Ondanks de vele punten van overeenkomst geven de toch ook vele verschillen tussen de literatuur van Denemarken, Zweden en Noorwegen — van een vergelijking met de Noorse literatuur kan in dit verband eerst sprake zijn van ca 1830 af — aanleiding tot een afzonderlijke behandeling.DENEMARKEN In de 16de en 17de eeuw heeft Denemarken weinig belangrijke literatuur voortgebracht. De tijd van de Reformatie kenmerkt zich door dorre godsdienstige geschriften, die i.h.a. al heel weinig van een opgewekt geestelijk leven getuigen. En wanneer we dan in de 17de eeuw hopen, onder invloed van de late Renaissance een fleuriger beeld van deze literatuur te krijgen, worden wij weer teleurgesteld. De Renaissance, die Denemarken bereikte via het tengevolge van de dertigjarige oorlog materieel en geestelijk verarmde Duitsland, vertoont in Denemarken niets meer van haar ‘festivitas’. Het z.g. ‘hoogtepunt’, Anders Christensen Arrebo's ‘Hexaëmeron’, bestaat uit eentonige alexandrijnen. Een werkelijk poëet uit de 17de eeuw is de psalmdichter Thomas Kingo. Zijn nobele religieuze poëzie met een sonore klank als van luidende kerkklokken is een geestelijk bezit waar Denemarken trots op kan zijn. Als menselijk document verdient ook Leonora Christina’s ‘Jammersminde’ (Herinnering der ellende) de aandacht, dagboekaantekeningen van Leonora Christina Ulfeldt, een in ongenade gevallen Deense prinses. Wij zien hier een treffend beeld van een 17de-eeuwse vrouw, onwankelbaar trouw, een zorgzame moeder, een vrouw, die in de meest pijnlijke situaties haar gevoel voor humor niet verliest, die met werkelijk koninklijke waardigheid het lot van een 22-jarige gevangenschap heeft gedragen en toen zij daaruit op 64-jarige leeftijd werd verlost, nog de veerkracht bezat om zich weer in het gewone leven te installeren en zich aan literaire werkzaamheden te wijden.

Eerst in de 18de eeuw treden schrijvers van groot formaat op. De letterkunde krijgt nu een meer eigen, nationaal karakter. De 18de eeuw zet al veelbelovend in met Ludvig Holberg (1684-1754). Holberg is in Bergen in Noorwegen geboren. Noorwegen bezat geen universiteit. Holberg ging dus in Kopenhagen studeren en bleef als zovele Noren sindsdien in Denemarken, waar hij zich volkomen thuis voelde. Hij was een eenzame figuur, een kamergeleerde, verstokt vrijgezel, vol principes, een echte rationalistische levenskunstenaar, maat houdend in alle dingen. Maar onder dit schoolmeesterachtige, pedante uiterlijk sluimerden een levendige geest en een fijne humor. De grote verdienste van Holberg is, dat hij het geestelijke leven van Denemarken direct in contact gebracht heeft met Fr. en E. cultuurstromingen. Hij bezocht in zijn jeugd D., Holland, Fr., It. en E. Holberg was al jaren een deftige professor aan de universiteit van Kopenhagen, toen hij naar aanleiding van de oprichting van het eerste Deense nationale theater zijn reeks comedies begon te schrijven. Zijn grote leermeester is Molière. Hij houdt zich zo mogelijk aan de eenheid van tijd, plaats en handeling, maar als echt rationalist heeft hij er geen bezwaar tegen, daarvan af te wijken als het gezond verstand dat eist. Holbergs comedies geven een natuurgetrouw beeld van de Deense maatschappij in de eerste helft van de 18de eeuw. Zijn gestalten prenten zich in het geheugen. Holberg is een merkwaardig alleenstaande figuur. Hij heeft geen voorgangers en geen navolgers. Bovendien doet zich het merkwaardige feit voor, dat Denemarken het enige Germaanse land is, waar het drama zijn hoogtepunt bereikt in de periode van het Classicisme.

Tegen het einde van de 18de eeuw wordt er in een dramatische parodie van Johan Herman Wessel, ook een Noor van geboorte, met de regels van de drie eenheden in het drama gebroken in de allergrappigste comedie ‘Kaerlighed uden Strömper’ (Liefde zonder kousen).

De Romantiek wordt ingeleid met Oehlenschlagers mysterieuze gedicht: ‘Guldhornene’ (De gouden hoorns). Adam Oehlenschläger (1779-1850), de grote man van de Deense Romantiek, is een dichter die in de literatuur van een groot land nooit op het eerste plan gekomen zou zijn. Maar zijn jeugdwerk — en ik reken daartoe ‘Guldhornene’, voorts de Deense Midzomernachtsdroom ‘St Hansaftenspil’ (St Jansspel) en het sprookjesdrama ‘Aladdin’ — heeft een eigen bekoring. ‘Guldhornene’ is geschreven na een lang gesprek met Henrik Steffens, die juist geladen met romantiek uit D. was teruggekeerd. Steffens’ aandeel in het gedicht, dat ver boven Oehlenschlagers overige werk uitsteekt, is meesterlijk uitgedrukt door Vilhelm Andersen: ‘Hij streelde hem als een kat en het gaf prachtige vonken.’ Voor het geestelijk leven in de eerste helft van de 19de eeuw is Johan Ludvig Heiberg (1791-1860) van grote betekenis geweest. De apocalyptische comedie ‘En Sjael efter Doden’ (Een ziel na de dood) is een parodie op het leven van de doorsnee mens, die op grond van zijn gebrek aan waarde in de hel terechtkomt, maar nauwelijks merkt dat het de hel is. Toch zijn zijn dichtwerken niet het belangrijkst, hij is te gereflecteerd om een dichter te zijn. Zijn betekenis ligt in de leiding, die hij aan het geestelijk leven van zijn tijd heeft gegeven. Als Deense propagandist van de hegelse filosofie heeft hij veel invloed gehad, o.a. op Kierkegaard.

Nicolai Frederik Severin Grundtvig (1783-1872) en Sören Kierkegaard (1813-1855) zijn de grote religieuze denkers van hun tijd. Beiden bezaten in hoge mate de gave der poëzie. Grundtvigs leven representeert grotendeels het ethisch stadium (om een uitdrukking van Kierkegaard te gebruiken). Hij zoekt de gebondenheid, contact met de wereld om zich heen. Als dichter leeft hij bij het nageslacht nog voort in een groot aantal nationale en religieuze liederen, waarin het verhevene en het eenvoudige een treffend harmonisch geheel vormen, b.v. in het kerstlied dat ieder jaar in vrijwel ieder Deens gezin gezongen wordt: ‘Heerlijk is de blauwe hemel’. Op een onsterfelijke naam maakt Grundtvig aanspraak als grondlegger van de volkshogeschool, ‘de school voor het leven’.

Kierkegaard is en blijft de eenzame, die zich niet aan het isolerende aesthetische en religieuze stadium kan ontworstelen. Hij is een voortreffelijk stilist en beheerst zowel de brede, wijsgerig redenerende stijl, b.v. in ‘Enten-Eller’ (Of-of) en ‘Stadier paa Livets Vej’ (Stadia op de weg des levens) als de vlijmscherp causerende vorm in het aan het einde van zijn leven door hem alleen uitgegeven blaadje ‘Ojeblikket’ (Het ogenblik). Zijn leven is een onafgebroken strijd voor wat hij als het ware Christendom beschouwt, een levend Christendom met de eis van ‘gelijktijdigheid'. Wanneer men een van Christus’ tijdgenoten geweest was, zou men dan bereid geweest zijn, hem te volgen? Op 42-jarige leeftijd is hij in zijn strijd bezweken. Ibsen heeft zijn erfenis aanvaard in het stellen van de ‘ideale eis’, die in zijn meest praegnante vorm gesteld is in ‘Brand’.

De Romantiek heeft een rijke lyriek voortgebracht. De natuurlyriek uitgedrukt in eenvoudige verzen, met het voor het Deens karakteristieke kabbelende geluid van de taal, waarin weinig chromatische beweging is en veel zwaktonige syllaben voorkomen, een lyriek van beukenbossen, meren, lichte nachten en pastorie-idylle, vormt een der grootste rijkdommen van de Deense literatuur. Als een der voornaamste lyrische dichters van de Romantiek kan Christian Winther (17961876) genoemd worden, niet zozeer op grond van zijn in de literatuurhistorie steeds als zijn hoofdwerk genoemde ‘Hjortens Flugt’ (De vlucht van het hert), als wel op grond van zijn korte gedichten. Zijn erotische poëzie ‘Til Een’ (Tot een) behoort tot het zuiverste en diepste dat Denemarken op dit gebied heeft voortgebracht.

Bij de lyriek uit deze tijd verdienen ook Bernhard Severin Ingemanns (1789-1862) ‘Morgenog Aftensange’ (Morgen- en avondliederen) genoemd te worden, waarin een typisch Deense vroomheid tot uiting komt, die ook het aardse leven aanvaardt als een schoon wonder.

Voor de 19de-eeuwse literatuur gaan onze gedachten natuurlijk uit naar Hans Christian Andersen (1805-1875). De levensgeschiedenis van deze arme schoenmakerszoon, wiens pogingen om als zanger en toneelspeler beroemd te worden schipbreuk leden en die tenslotte de a.h.w. voor hem geschapen sprookjesvorm ontdekte, is wel voldoende bekend. Het is de geschiedenis van het lelijke jonge eendje, dat ten laatste toch een zwaan werd. Andersen is ook een eenzame in het leven geweest. Maar het is hem toch een troost geweest, dat zijn sprookjes over de gehele wereld bekendheid verwierven en dat hij overal, zelfs aan de Europese hoven, een welkome gast was. H. C. Andersens sprookjes, kunstsprookjes, dikwijls gebouwd op onder het volk levende motieven, soms ook geheel op eigen vinding, zijn ongeëvenaard. Zijn kunst met de eigenaardige, goedmoedige humor is typisch Deens. Andersen behoort tot de uitverkorenen, die de kunst verstaan oud en jong in de ban van de verbeelding gevat te houden.

De moderne Deense literatuur begint omstreeks 1870 en eerst in deze periode ontwikkelt de Scandinavische literatuur zich zo, dat zij bij de Westeuropese niet meer ten achter staat. Vooral op het gebied van de romankunst is een grote verrijking waar te nemen. De literatuurhistoricus Georg Brandes (1842-1927), die als jonge man enige tijd in Fr. studeerde en daar Taines leer als grondslag voor de moderne psychologische roman aanvaardde, wist na zijn terugkeer te Kopenhagen door zijn boeiende colleges bij vele jongeren de wens te wekken om nieuw leven te brengen in de in die dagen inderdaad zeer weinig interessante Deense literatuur. Jens Peter Jacobsen (1847-1885) en Holger Drachmann (1846-1908) zijn ca 1870 de grote vernieuwers. Beiden hebben proza en poëzie geschreven, maar Jacobsen is in de eerste plaats de vernieuwer van het proza, Drachmann die van de poëzie. Jacobsen staat als kunstenaar oneindig veel hoger dan Drachmann. Jacobsen was al voordat hij begon te schrijven een verdienstelijk bioloog. Hij was degene, die Darwin in het Deens vertaalde. Hij was atheïsten voelde zich in de sfeer van de Joodse gebroeders Brandes volkomen thuis. Hij heeft niet, als de meeste jongeren, die in deze kring verkeerden, vroeg of laat het gemis gevoeld van een religieuze achtergrond. Jacobsen is a.h.w. voorbestemd om Denemarken het naturalisme te brengen. Zijn eerste novelle ‘Mogens’, met de beschrijving van de mens in het bos in de stromende zomerregen, brengt een volkomen nieuw geluid. Jacobsen is jong gestorven. Hij heeft slechts enige novellen, twee romans en een aantal gedichten geschreven. De romans zijn ‘Fru Marie Grubbe’ met de ondertitel ‘Interieurs uit de zeventiende eeuw’ en ‘Niels Lyhne’. ‘Fru Marie Grubbe’ is een historische roman. De hoofdpersoon is de historische Marie Grubbe, de Jutlandse freule, die als door een duistere natuurmacht gedwongen maatschappelijk steeds dieper zinkt, totdat zij als de vrouw van een ruwe veerman in een schamel bestaan een zekere rust vindt. Het coloriet van de gedetailleerde beschrijvingen is iets geheel nieuws voor Denemarken, waar men uitsluitend het romantische onhistorische genre van de historische roman van Ingemann kende.

In ‘Niels Lyhne’, een roman uit de eigen tijd, is het probleem van het geloof, dat in ‘Marie Grubbe’ slechts in het voorbijgaan wordt aangeroerd, het centrale punt. ‘Niels Lyhne’ is de eerste naturalistische roman in de Deense letterkunde, nauw verwant met de fin de sièclestemming in de troosteloze werken van Herman Bang (1857-1912), zoals ‘Tine’, ‘Haablöse Slaegter’ (Generaties zonder toekomst), ‘De uden Faedreland’ (Zij die geen vaderland hebben). Het proza van Bang is gedempter van toon dan dat van Jacobsen, maar het is ook uiterst verfijnd en gevoelig.

Holger Drachmann, door wiens poëzie, in tegenstelling met de ziekenkameratmosfeer van Jacobser», de frisse zeewind waait, heeft een vernieuwing van de lyriek gebracht en nieuwe mogelijkheJen voor metrum en strofenvorming geschapen. ‘Sange ved Havet’ (Gedichten aan het strand) is een hoogtepunt in zijn lyriek.

Een der krachtigste vertegenwoordigers van het Deense naturalisme is Henrik Pontoppidan (1857-1943). Zijn kijk op het leven en ook zijn taal zijn harder dan van de bovengenoemde iets oudere tijdgenoten. Hij heeft uitsluitend proza geschreven. Het naturalisme zit bij Pontoppidan aan de buitenkant. Het determinisme is hem vreemd. Tussen 1890 en 1900 verschijnt ‘Det forjaettede Land’ (Het beloofde land), waarin de hoofdpersoon, een stadsmens, tevergeefs probeert als plattelandsdominee contact met de boerenbevolking te krijgen.

‘Lykke-Per’, met de aan H. C. Andersen ontleende titel, geldt algemeen voor Pontoppidans hoofdwerk. Het beschrijft de scherpe tegenstelling tussen de uit de Jutlandse pastorie stammende begaafde jonge man, die van het pad der vaderen afwijkt en ingenieur wil worden, en de mensen die zich bewegen in het gecultiveerde milieu van een rijke Joodse koopmansfamilie in Kopenhagen. Pontoppidan deelt echter niet het naïeve optimisme van Andersen en diens generatie. Pontoppidans djrde grote roman is ‘De Dödes Rige’ (Het rijk der doden). De benauwenis van de wereldbrand in de jaren van 1914-1918, de laatsteoordeelstemming, is nergens in de Deense literatuur zo aangrijpend tot uiting gekomen.

In de moderne literatuur nemen de proletariërdichters een belangrijke plaats in, vooral Jeppe Aakjaer en Martin Andersen Nexö. Aakjaer schenkt ons zijn frisse lyriek en sappig vertelde autobiografische geschriften; Nexö, de schrijver van ‘Pelle Erobreren’ (P. de veroveraar) en van ‘Ditte Menneskebarn’ (Ditte, mensenkind), werken die in vele talen vertaald zijn, heeft zich de laatste jaren beziggehouden met het te boek stellen van zijn mémoires.

Deze schrijvers hebben de aandacht getrokken, omdat zij de eersten waren, die in de Scandinavische letterkunde sociale problemen behandelen, gedeeltelijk van sociaaldemocratisch, gedeeltelijk van communistisch standpunt.

De nieuwste literatuur geeft een bont beeld. Men krijgt niet de indruk, dat er figuren van werkelijk groot formaat tussen zijn. Een uitzondering mag gemaakt worden voor de eeuwig jeugdige Nobelprijswinnaar Johannes V. Jensen (geb.1873). Hij schrijft al vroeg een geheel eigen proza, warm van toon, met grote liefde voor zijn eigen onderwerp, b.v. in ‘Himmerlands Historier’, vertellingen uit zijn geboortestreek in Jutland. Hij is darwinist, maar hij is gegrepen door de mystiek van de continuïteit der geslachten. Hij heeft een voorliefde voor grootse onderwerpen en schildert in een reeks romans — ‘De lange reis’ — de ontwikkeling van het Angelsaksische ras, de uit Jutland stammende Germanen. Voor Jensen is alles poëzie, ook de moderne techniek. In ‘Gudrun’ wordt in lyrisch proza een glanzende auto beschreven die midden in een glazen showroom prijkt, in ‘Dr Renauds Fristelser’ (De verzoekingen van Dr R.) de poëzie van de bedrijvigheid rondom een grote vertrekkende Amerikaboot met zijn stampende machines. Hij heeft gevoel voor het massale, de opwekking die er uitgaat van de onafgebroken rij fietsers, die zich ’s morgens in Kopenhagen naar hun werk begeven en onvergetelijk is de beschrijving van alle aflopende wekkers in ‘Gudrun’. Maar het hoogste bereikt hij toch in zijn korte verhalen, de mythen, waarin de Deense taal op de meest volmaakte wijze gehanteerd wordt.

Onder de jongere generatie, die vele bekwame schrijvers telt, b.v. Hans Kirk en Leek Fischer, schijnt er toch geen te zijn, die voorbestemd is om later een plaats onder de classieken in te nemen. Of de dichter-schrijver-dominee Kaj Munk, die ongetwijfeld tot de meest begaafde schrijvers van de laatste twintig jaar behoort, onder de onsterfelijken zal worden opgenomen, wanneer de glorie om zijn naam, die hij als onverschrokken waarheidspreker tijdens de bezetting en als slachtoffer van de vergeldingsmoorden heeft verworven, verbleekt zal zijn, is thans moeilijk te beoordelen.

Carl S. Petersen og Vilhelm Andersen, lllustreret dansk Litteraturhistorie, I-IV, 1919-1925.

ZWEDEN Het cultuurleven in Zw. in de 16de en 17de eeuw is krachtiger en frisser dan in Denemarken in dezelfde periode. In de Reformatietijd is de bekwame, rechtschapen Olaus Petri (1493-1552) de grote figuur. Zijn verdienste voor de vorming van een uniforme Zweedse schrijftaal door middel van zijn populaire geschriften en zijn aandeel in de bijbelvertaling, de statige bijbel van Gustaf Wasa (1541), kan niet hoog genoeg geschat worden. In de 17de eeuw, wanneer Zw. onder Gustaf II Adolf een grote mogendheid geworden is, is er met het buitenland, o.a. met Ned., een levendig contact, dat door zijn dochter Christina nog werd versterkt. De centrale figuur van de Zw. letterkunde uit het midden van de 17de eeuw is Georg Stiernhielm (1598-1672), in zijn veelzijdigheid een echte renaissancegeest, in zijn vele grootse opzetten van nooit voltooide werken — men noemde hem een groot beginner — een echte Zweed. Veel van zijn werk is zeker verloren gegaan. Maar zijn ‘Hercules’, een gedicht in hexameters, is bewaard. Zijn behandeling van het classieke onderwerp, Hercules op de tweesprong, is als een Dalekarlische boerenschildering. De optredende personen, meest allegorische figuren, zijn geheel verzweedst. De voorstelling is heerlijk levend en getuigt van een sappige levensvreugde. Men kan begrijpen dat het zelfgekozen grafschrift van deze levenslustige renaissanceschrijver luidde: ‘vixit dum vixit laetus’ (zolang hij leefde, leefde hij vrolijk).

Ook in de 18de eeuw is Zw. rijker aan geestelijk leven dan Denemarken. Er zijn literaire salons, b.v. van de begaafde dichteres Hedvig Charlotta Nordenflycht (1718-1763) — de zingende tortelduif uit het Noorden — waar personen van betekenis, als de stoïcijn Gustaf Frederik Gyllenborg (1731-1808) en de epicureeër Gustaf Philip Creutz (1731-1785), dichter van de eerste Zweedse pastorale, bijeen kwamen. OIov von Dalin (1708-1763) heeft in zijn krant, ‘Den Swenska Argus’, Zw. op de hoogte gebracht van wat er op geestelijk gebied in Europa leefde. Hij vertaalde en bewerkte in zijn blad stof uit Fr. en E. spectatoriale geschriften, zelfs ontleende hij stof aan Justus van Effen. Het werk van de genoemde literatoren gaat niet uit boven de doorsnee literatuur van andere landen. Maar tegen het einde van de 18de eeuw, terwijl in Zw. evenals elders Voltaire- en Rousseaustromingen hun invloed op het gedachtenleven doen gelden, treedt hier een dichter op, die misschien het meest eigene gegeven heeft, dat tot op heden in de Zw. literatuur is voortgebracht, nl. Carl Michael Bellman (1740-1795). Hij behoort tot geen enkele richting, hij was geen nuttig of geacht burger, hij was alleen maar dichter. In 1790 kwam zijn hoofdwerk ‘Fredmans Epistlar’ (De brieven van Fr.) uit met een beroemde voorrede van Johan Henrik Kellgren (1751-1795). ‘Fredmans Epistlar’ is een zeldzaam rijke dichtbundel, een reeks beelden uit het kroegleven in Stockholm onder de lagere bevolkingsklasse. Vreemde, maatschappelijk verongelukte typen treden hier op. Wij zien hen in hun uitgelaten roes, in hun ruzies, op hun uitstapjes buiten in de onvergelijkelijk mooie omgeving van Stockholm. Wij zien hen ook als hun hard op de proef gestelde fysieke krachten het opgeven en zij gegrepen worden door de schrik voor de vergankelijkheid. En temidden van deze wereld straalt Ulla Winblad, ‘priesteres in de tempel van Bacchus’, die zelfs de meest uitvoerige Bellmancommentaar met allerlei onfrisse inlichtingen over het leven van deze dame, niet van de glans, haar door de toverstaf van de dichter verleend, kan beroven.

De Romantiek is, meer dan de Deense, beïnvloed door de D. Romantiek. Terwijl de Deense poëzie altijd, ook tijdens de Romantiek, een werkelijkheidselement inhoudt, ontbreekt dit meestal bij de fosforisten, de kern der Zw. romantici. Zo heeft Per Daniël Amadeus Atterbom (1790-1855), de leider der fosforisten, een reeks gevoelvolle gedichten geschreven, waaraan de natuurfilosofie van Schelling ten grondslag ligt. Zijn leesdrama, ‘Lycksalighetens ö’ (Het eiland der gelukzaligheid) met het prachtige, aan de nagedachtenis van zijn vrouw opgedragen, inleidingsgedicht heeft verrassend mooie lyrische partijen. Erik Johan Stagnelius (1793-1823), die buiten alle groepen en genootschappen staat, schept in gedichten als ‘Suckarnas Mystar’ (Het mysterie der zuchten) en ‘Liljor i Saron’ (De lelies van S.) een diepzinnige mystieke poëzie die nog steeds literatuurhistorici en literatuurliefhebbers weet te boeien.

Maar de grootste dichter uit de tijd van de Romantiek, misschien de grootste dichter van Zw., is Esaias Tegnér (1782-1846). Hij stamt uit Varmland en heeft de spelende geest en de poëtische aanleg, die voor verscheidene dichters uit deze provincie kenmerkend zijn. Hij studeerde te Lund en bleef jarenlang aan deze universiteit verbonden als hoogleraar. In 1825 werd hij benoemd tot bisschop in Vaxjö, waar hij in 1846 stierf.

Tegnér was het in veel opzichten niet met de fosforisten eens. In tegenstelling met dezen streeft hij — als professor in de classieke talen — naar helderheid in zijn poëzie. Hij heeft een uitgesproken vormzin. Door de leidende gedachte van het ‘Gothische verbond’, waarvan hij later deel uitmaakte en dat zich ten doel stelde, de kloeke geest der Germaanse vaderen te doen herleven, is hij slechts matig bekoord en het is een tragische vergissing, dat de Frithjofsaga, het grote werk, dat naar het uiterlijk met de geest van het Gothische verbond overeenstemde, bij de grote massa, en ook wel bij de critiek, voor Tegnérs hoofdwerk gold, en nog geldt. Wij vinden hier niet de sprankelende geest die vroeger werk van Tegnér kenmerkt. Over deze zeldzaam lucide geest is de zon vroeg ondergegaan. Tot Tegnérs beste poëzie kunnen een aantal kleine gedichten worden gerekend, voorts een aantal grotere gedichten, die tot het algemene Zw. cultuurbezit behoren, b.v. ‘Krigssang för skanska lantvarnet’ (Oorlogslied voor de landweer van Skane), een door de tijdsomstandigheden geïnspireerd gedicht, waarin allerlei literaire reminiscenties, b.v. aan de Marseillaise, Wilhelm Teil, te herkennen zijn, maar dat toch de indruk maakt in een dwingende inspiratie onder hoogspanning geschreven te zijn, een stuk Europese eruditie van een zeldzame gaafheid, en ‘Svea’ met de statige, pompeuze alexandrijnen in het begin en de dithyrambische eindstrofen, waaraan altijd elke bombast vreemd blijft. Het mooiste door Tegnér geschreven gedicht is ongetwijfeld de ‘Epilog vid magisterpromotionen i Lund 1820’. Tegnér was dit jaar promotor van de jonge magisters. De epiloog is een der nobelste uitingen van het idealisme, dat karakteristiek is voor de Zw. literatuur.

Tot de representanten van dit idealisme behoort ook Johan Ludvig Runeberg (1804-1877), die als Fin vaak tot de Finse literatuur wordt gerekend, maar wiens ‘Fanrik Stals Sagner’ (Vertellingen van vaandrig S.), een reeks portretten van helden uit de Fins-Russische oorlog van 1808-1809, door iedere Zw. met enige literaire belangstelling worden beschouwd als een nationaal bezit.

Ook Viktor Rydberg (1828-1895) is een representant van het Zw. idealisme, een zeer veelzijdig begaafde geest. ‘Den siste Atenaren’ (De laatste Atheners) is een uitvoerig verhaal van de strijd tussen het Neoplatonisme en het Christendom in Athene. Rydbergs romans lijden alle aan een zwart-wit techniek, al te edele helden en te schurkachtige boeven, maar toch mag ‘Den siste Atenaren’ gerekend worden tot de classieke werken van de 19de-eeuwse Zw. literatuur. Een gevoeligheid, die bij Rydberg zeldzaam is, ligt over ‘Singoalla’, een verhaal uit de Middeleeuwen waarin de liefdesgeschiedenis van een jonge ridder en een zigeunermeisje ontroerend beschreven wordt. Op merkwaardige wijze is hier de macht der hypnose voorgesteld, waardoor de ridder een dubbel leven leidt, het gewone leven overdag, een leven onder hypnose ’s nachts. Rydberg heeft ook verscheidene mooie gedichten geschreven.

Iedere buitenlander, die aan de Zw. letterkunde uit de tweede helft van de 19de eeuw denkt, zal in zijn gedachten de ruige kop van August Strindberg (1849-1912) zien opdoemen, die als dictator de jaren tussen 1880 en 1890 beheerste. Het is de periode van het naturalisme, in Zw. ingeleid door Strindbergs roman ‘Röda rummet’ (De rode kamer, 1879). Deze naturalistische kunst wordt voortgezet in de vaak onfrisse en tactloze autobiografische ontboezemingen ‘De zoon van de dienstmaagd’ en ‘En dares försvarstal (De verdedigingsrede van een dwaas). Deze boeken zijn geschreven in een verrassend nieuw proza, dat in ‘Hemsöborna’ (De bewoners van Hemsö) met de frisse beschrijving van de scherennatuur geperfectionneerd is. Strindberg heeft ook de kunst verstaan, een naturalistisch drama te scheppen en hier heeft hij baanbrekend werk van Europese draagwijdte tot stand gebracht. Het navrante drama ‘Fröken Julie’ (Freule J.) en het nog aangrijpender ‘De vader’ zijn in geheel Europa bekend. Het veel latere ‘Dödsdansen’ (De dodendans) hoort mede tot Strindbergs dramatische meesterwerken, waarin hij met de allereenvoudigste middelen — één kamer, één tafel, twee stoelen, twee, een enkele maal drie personen — een sfeer vol dramatische spanning weet te scheppen, hoewel de handeling niet aanstuurt op een catastrofe, integendeel, het is een willekeurig gegrepen en a.h.w. fotografisch vastgelegd stuk leven. Aan het einde zitten beide echtgenoten weer precies als aan het begin ieder aan een kant van de tafel, met de onzichtbare barrière van haat tussen hen in als bij de aanvang. Over het algemeen is Strindbergs kunst na zijn in ‘Inferno’ benauwend minutieus beschreven geestelijke crisis in het begin der jaren negentig, die tot zijn bekering leidde, zachter geworden. Zijn latere drama’s vertonen een neiging tot symbolisme en religieuze mystiek, b.v. ‘Pâsk’ (Pasen). Maar het boetekleed past deze levensquerulant slecht. Als kunstenaar is hij meestal op zijn best wanneer hij zijn onaangename menselijke eigenschappen de vrije teugel laat. Zijn ontegenzeggelijk groot dramatisch talent heeft in Duitsland veel meer weerklank gevonden dan in Zw. Strindberg is de enige Zw. dramaturg van groot formaat.

H. Esswein, August Strindberg, 1908.

Karl Jaspers, Strindberg und van Gogh, 1926. A. Jolivet, Le théâtre de Strindberg, 1931. Nadat Verner von Heidenstam (1859-1940) het bestaan heeft met zijn dichtbundel ‘Vallfart og vandringsár’ (Bedevaart en zwerversjaren, 1888) in verzet te komen tegen Strindbergs dictatuur en gedichten uit te geven, waarin hij slechts van schoonheid en levensvreugde wil getuigen, is er een ongekend rijke lyriek opgebloeid. De poëzie uit de jaren tussen 1890 en 1900 is geen polemische, maar een zuiver instinctieve reactie tegen het naturalisme van het vorige decennium met al zijn probleemstelling. De lyriek van deze periode is verfrissend probleemvrij, de neiging van verschillende dichters om zich van de werkelijkheid af te keren doet aan de Romantiek uit het begin van deze eeuw denken. Wij vinden ook hier een aesthetisch en humanistisch getint idealisme, maar de belangstelling voor de details van de werkelijkheid van het vorige decennium is aan deze generatie niet ongemerkt voorbijgegaan. Daardoor is deze lyriek zo levend en afwisselend.

Te noemen is Oscar Levertin (1862-1906), een bekwaam literatuurhistoricus en essayist, tevens dichter van een tengevolge van persoonlijke ervaringen zwaarmoedige lyriek met een rijk coloriet, een poëzie ‘zwart met purperrode randen’ aansluitend bij oude schilderkunst, verwant met de E. praerafaëlieten. Populair onder alle lagen van de bevolking, ook nu nog, zijn Gustaf Frödings (1860-1911) gedichten vol speelse Varmlandse humor. Zijn poëzie vertoont een onvermoeide afwisseling van metra, zijn natuurbeschrijving is stemmingsvol en rijk aan treffende nieuwgevormde woorden. Deze in den beginne schijnbaar zo humoristische poëzie heeft een diep-weemoedige ondertoon, die op den duur de overhand krijgt. Fröding is een van de vele Zw. voorbeelden van ‘scheppende fantasie en zieke dichters’, een onevenwichtige natuur, die zijn leven lang bewust gestreden heeft tegen een dreigende geestelijke ontwrichting, die tenslotte toch onafwendbaar was. Enige jaren na Levertin en Fröding debuteert Erik Axel Karlfeldt (1*864-1931), de krachtige Dalekarliër van boerenafkomst met zijn zeldzaam levenskrachtige poëzie, de zanger van het ‘gehele voorgeslacht’.

Van Karlfeldts ‘Dalmalningar’ is ‘De hemelvaart van Elia’ het best geslaagd. Elia rijdt als Dalekarlische boer met de groene parapluie voor zich in een spiksplinternieuwe wagen hemelwaarts om Onze-lieve-Heer te helpen rechtspreken. Geen echte dalmalningar, maar gedichten van een volmaakte schoonheid zijn ‘Jungfru Maria’ en ‘Yttersta domen’ (Het laatste oordeel).

Onder de prozakunstenaars uit de jaren negentig neemt Selma Lagerlöf (1858-1940) zeker de belangrijkste plaats in, de begenadigde vertelster, die zich met ‘Gösta Berlings saga’, ‘Jerusalem’ en verschillende kortere verhalen van een eigen schoonheid en charme een Europese naam heeft verworven.

In de 20ste eeuw valt een sterke ontwikkeling van de romankunst waar te nemen. De vele ‘ongeschreven tomans’, waarvan Ruben Gison Berg in het begin van de eeuw een verlanglijst opstelt, zijn intussen bijna alle geschreven en veelal met bekwame hand, b.v. de roman van de standencirculatie in Hallströms ‘Snörmakare Lekholm far en idè’ (De passementwerker L. krijgt een idee), de vakroman in Swenssons ‘Paul Hoffman laroverksadjunkt’ (De leraar aan de middelbare school P.H.), de historische roman uit de vikingentijd in Frans Bengtssons ‘Röde Orm’, de familieroman in Siwertz' ‘Seelambs’ (De familie S.). Onder de werken van de zogenaamde prolerariërschrijvers zullen de werken van Harry Martinsson en Eyvind Johnson waarschijnlijk ook in de toekomst waarde blijken te hebben. Eyvind Johnsons imponerende trilogie ‘Groep Krilon’ van de laatste jaren is evenals Pär Lagerkvists ‘Den knutna naven’ (De gebalde vuist) geschreven ter verdediging van de westerse cultuur, Johnson noemt zijn werk terecht ‘de geschiedenis van de mobilisatiedienst van een Zw. schrijver van 1941 tot nu toe’. Een belangrijke figuur is ook Par Lagerkvist, die verdienstelijk werk heeft geleverd op het gebied van drama, proza en poëzie.

Ook de warme, vaak bijbels gekleurde lyriek van Hjalmar Gullberg zal zeker van blijvende waarde blijken re zijn.

P. M. Boer-den Hoed, Zweedse Litteratuurhistorie (in bewerking).

H. de Boor. Schwedische Literatur, 1924. NOORWEGEN De nationale literatuur van Noorwegen begint eigenlijk eerst nadat Noorwegen in 1815, na een onderworpenheid van omstreeks vier eeuwen aan Denemarken, zijn onafhankelijkheid heeft herkregen. Omstreeks 1830 bloeit dan de Noorse literatuur op met zulk een onstuimige drang, dat men de indruk krijgt, dat lang onderdrukte krachten zich hier een weg banen. De strijdkracht der oude vikingen blijkt in de eeuwen der verdrukking niet gedoofd te zijn. Het grootste deel van deze literatuur is probleemliteratuur en de Noor heeft de gave, al vechtend en getuigend grote kunstwerken te scheppen. Het begint al met de antithese Welhaven-Wergeland. Jolian Sebastian Welhaven (18071873), de schrijver van de prachtige sonnettencyclus ‘Norges Daemring’ (De schemering van Noorwegen), wijst op de verplichtingen van het Noorse volk om zich door zelfopvoeding en zelfinkeer het erfgoed der vaderen waardig te maken. Het is daarom nodig, de banden met de Deense cultuur niet in jeugdige overmoed en eigenwaan te verbreken. Daartegenover staat Henrik Arnold Wergeland (1808-1845), de populaire schrijver van het omvangrijke dichtwerk ‘Skabelsen, Mennesket og Messias’ (De schepping, de mens en de Messias, 1830). Hij is het type van de actieve Noor, de eeuwige optimist, die het als een voorrecht beschouwt tot het uitverkoren Noorse volk te behoren, heftig in zijn polemiek, een man met veelzijdige belangstelling en veelzijdige gaven, een persoonlijkheid zoals wij die buiten Noorwegen in Scandinavië niet kennen.

De jonge Noorse staat was zozeer een product van de Franse revolutie, dat de cultuur in den beginne nog geheel in het teken van de Verlichting stond. Pas omstr. 1840 doet de Romantiek haar intree in de Noorse literatuur. Evenals elders is in deze periode de natuurlyriek een geliefde kunstvorm. Welhaven is de voornaamste representant van dit genre. De lyriek neemt echter in de Noorse letterkunde niet die plaats in, die zij in de literatuur der andere Scandinavische landen bekleedt. De interessantste voortbrengselen van de Romantiek in Noorwegen zijn de sprookjesverzamelingen (1841) van Peter Christen Asbjörnsen (1812-1885) en Jörgen Ingebretsen Moe (1813-1882). De sprookjes zijn opgetekend in het riksmál, dat toen als geschreven taal bijna niet van het Deens te onderscheiden was, maar dit riksmál is meer Noors getint dan het toen gebruikelijke. De stijl van de mondelinge overlevering is behouden. Typisch Noors is het volkomen ontbreken van gevoeligheden, wat ook een kenmerkende trek is voor de Oudnoorse literatuur. Björnsons boerennovellen, die tot het vroegste werk van deze productieve schrijver behoren, zijn ook tot de Romantiek te rekenen. Björnstjsrne Björnson (18321910) was de zoon van een dorpspredikant, maar hij heeft de boeren bezien met sterk subjectieve blik.

Björnsons boeren leven niet en zijn boerennovelle is vol weke gevoeligheid. Maar deze boerenvertellingen zijn enorm populair geweest, zoals het meeste werk van deze steeds de bakens verzettende schrijver. Hij is geen groot denker geweest, maar een tolk van de in zijn volk levende gevoelens, en voor alles een eerlijk en warm-voelend mens.

Ook Ibsens eerste werken behoren tot de Romantiek. Henrik Ibsen (1828-1906) was de zoon van een welvarend koopman en men mist bij hem, evenals later bij Kielland, de ‘volkse’ mentaliteit, die zo kenmerkend is voor de meeste Noorse schrijvers. Hij staat, evenals Kielland, sterk critisch tegenover zijn landgenoten. Als apothekersleerling te Grimstad schreef hij al drama’s en gedichten. ‘Kaempehpjen’ (De grafheuvel van een Germaanse held) toont in de titel al de invloed der Romantiek. Reeds op jeugdige leeftijd werd hij aangesteld aan het Nationaal Theater te Bergen, waarvoor hij stukken moest schrijven en waar hij ook als regisseur werkzaam was. Zo verwierf hij zich al vroeg een grondige kennis van de toneeltechniek en zijn drama’s tonen dan ook duidelijk, dat de schrijver weet, wat het op het toneel ‘doet’. Ibsens drama’s behoren tot de meest waardevolle van de zo rijke 19de-eeuwse Noorse letterkunde. Van de historische werken is ‘Kejser og Galilaeer’ met de fascinerende gestalte van Julianus Apostata het meest monumentale, ‘Kongsemnerne’ (De kroonpretendenten) met ‘Skule JarP — Gods stiefkind op aarde — het treffendst. In het laatste klinkt een gevoelige toon, die bij Ibsen zeldzaam is. Van de maatschappelijke drama’s is ‘Nora’ altijd een lievelingsstuk van het publiek geweest en het is dan ook een echt speelstuk, maar ‘De wilde Eend’ en ‘Spoken’ zijn dieper van inhoud. Ver boven alles uit gaan echter ‘Brand’ en ‘Per Gynt’, die het middelpunt vormen van Ibsens oeuvre. In beide stukken treedt de schrijver op als boetprediker voor zijn volk, in het schijnbaar zo speelse ‘Per Gynt’ scherper en onbarmhartiger dan in ‘Brand’. ‘Brand’ is ontstaan uit een edele verontwaardiging over de slappe houding van Noorwegen en Zweden, toen zij in 1864 hun ‘broeder in nood’, Denemarken, niet wilden bijstaan in de ongelijke strijd tegen Pruisen. Het scandinavisme kon de proef van 1864 niet doorstaan. Voor velen was dit een bittere ontgoocheling. Uit een voorstudie van ‘Brand’, de eerst veel later ontdekte ‘Epische Brand’, blijkt dat uit deze ontgoocheling en verontwaardiging ‘Brand’ is ontstaan. Overgebleven is een drama met een hoofdpersoon, die in alle conflicten het compromis afwijst en zijn idealisme trouw blijft. De ‘ideale eis’ is voor de komende generaties jaren lang toonaangevend geweest, totdat in de jaren negentig een soepeler levenshouding zich deed gelden en Fröding in ‘Min stjarnas sanger’ (Liederen van mijn ster) stelling neemt tegen dit in zijn ogen absurde idealisme. In Per Gynt, de fantast, die het contact met de werkelijkheid heeft verloren, is het Noorse volk gepersonifieerd. Het stuk zit vol kwaadaardige toespelingen, b.v. spot met het landsmal-enthousiasme van Vinje in de figuur van Huhu, die de apentaal gaat spreken en een persiflage van de Karel XII-verering der Zweden in de fellah, die steeds de koningsmummie op zijn rug torst. De taal in ‘Brand’ en ‘Per Gynt’ is kernachtiger en Noorser dan in Ibsens andere drama’s.

Ibsens werk vertoont een interessante ontwikkeling. In het begin is het romantisch, ‘Per Gynt’ echter houdt een scherpe critiek in op het ontvluchten van de werkelijkheid, de latere maatschappelijke drama’s zijn realistisch en tenslotte kunnen de laatste drama’s, zoals ‘John Gabriel Borkman’ en met nog meer recht ‘Naar vi Dode vaagner’ (Als wij doden ontwaken), tot het symbolisme worden gerekend.

R. C. Boer, lbsens Drama's, 1928.

Het realisme en het naturalisme hebben in Noorwegen, waar naast het drama de roman de geliefde kunstvorm is, vele bekwame beoefenaars gevonden. Een rustpunt in de onrustige, polemische sfeer vormen de romans van Jonas Lie (1833-1908), wiens milieuschildering zeldzaam warm en innig is.

Als een meteoor verschijnt omstr. 1880 Alexander Lange Kielland (1849-1906) aan de Noorse literaire hemel. Hij geeft tien jaar lang ieder jaar een roman in het licht, allemaal probleemliteratuur, maar in uiterst elegante vorm. een élégance die op Franse invloed wijst. ‘Skipper Worse' en ‘Garman en Worse’ zijn prachtige romans en men kan het betreuren, dat deze schrijver het blijkbaar belangrijker vond, burgemeester van Stavanger te worden dan zijn literaire arbeid voort te zetten.

Tegen het einde van de eeuw (1888) treedt Knut Hamsun (geb. 1859) op, zeker een der grootste romanschrijvers van zijn tijd. Zijn eerste werk, geestig en scherp, is een persiflage van het geestelijk leven in Amerika. Zijn van den beginne af anti-Amerikaanse en anti-Angelsaksische instelling kan zijn latere sympathie voor het nationaalsocialisme, die men bij iemand met een zo sterk ontwikkeld psychologisch begrip en een zo algemeen begrijpen van menselijke zwakheden niet zou verwachten, aannemelijk maken. Jaar in jaar uit was Hamsuns nieuwe roman de vreugde van onze Kerstvacantie. Ik denk aan de prachtige beschrijving van de Noorse zomernacht in ‘Pan’, de stille weemoed van ‘Vandrer spiller med Sordin’ (Een zwerver speelt con sordino) en ‘Under Hpststjernen’ (Onder de herfstster), de lofzang van het leven op het land in ‘Markens Gröde’ (Hoe het groeide), de zelfmoordenaar, een Noorse disagreable man, in ‘Siste Kapitel’ (Het laatste hoofdstuk) en de tonen van het orgeltje in de eerste zoele lentelucht in ‘August’. Hamsun is een schrijver, wiens romans men steeds weer ter hand neemt.

De tot nog toe besproken schrijvers schreven alle riksmal, thans bokmal geheten. Naast het riksmal heeft het Noors nog een tweede taal, het landsmal, thans nynorska genaamd, die in 1885 officieel gelijkgesteld is met het riksmal, zodat Noorwegen tweetalig is. Het landsmal is omstr. 1850 ‘gemaakt’ door har Andreas Aasen (18131896). Aasen, een boerenzoon, volkomen autodidact, ontdekte, dat de Noorse dialecten een directe voortzetting vormden van de oude Noorse taal en hij ontwierp een schrijftaal, hoofdzakelijk gebouwd op de Westnoorse dialecten. Van deze taal gaf hij tevens een grammatica en een woordenboek uit. Het landsmal, dat zo ver van het DeensNoorse riksmal afstond, dat het voor stadsnoren even moeilijk, waarschijnlijk zelfs moeilijker, te verstaan was dan Deens of Zweeds, heeft zich snel ontwikkeld, Jengevolge van de voor de aanhangers van het landsmal gelukkige omstandigheid, dat er in een kort tijdsbestek enige vooraanstaande schrijvers van groot talent optraden, die zich van deze taal bedienden. De eerste was Aasmund Olafsson Vinje (1818-1870), die de natuur van het Noorse bergland met grote liefde bezongen heeft in zijn dichtcyclus ‘Storegut’ (Grote jongen). Zijn vaak geestige stukken in ‘Dplen’ (De dalbewoner), het blad, dat hij zelf uitgaf en redigeerde en grotendeels ook vulde, hebben voor de verbreiding van het landsmal grote betekenis gehad.

Meer dan Vinje betekent voor ons Arne Garborg (18511924). Ook hij is een boerenzoon, een diep religieuze natuur, die zich in zijn jeugd van het duistere beklemmende Christendom, dat thuis werd verkondigd, afwendde, maar later een eigen opvatting van het Christendom opbouwde, vrij van dogma, maar vol overgave en aan de Middeleeuwen herinnerende vrome meditatie, weergegeven in geschriften als ‘Den burtkomne Messias’ (De verloren Messias) en ‘Heimkomen Son’ (De thuisgekomen zoon). Als dichter bereikt hij het hoogste punt in de dichtcycli ‘Haugtussa’ en ‘I Helheim’ (De heuvelelf), gedeeltelijk innige natuurlyriek, gedeeltelijk visionnaire poëzie. Garborg heeft ook vele romans geschreven, waarvan ‘Fred’ (Vrede) de meest treffende is, een aangrijpende schildering van de omgeving waarin de schrijver is opgegroeid.

In de 20ste eeuw is de belangrijkste in het landsmal schrijvende dichter ongetwijfeld Olav Duim (geb. 1876), wiens romanserie ‘Juvikfolket’ (1918-1923), met als hoofdmotief de strijd tussen individu en gemeenschap, tussen eigen streven en begeren en de gebondenheid aan de traditie en door de mysterieuze band, die de opeenvolgende generaties samenbindt, een werk van grote diepte is.

De literatuur van Noorwegen in de 20ste eeuw is nog moeilijk te overzien. In ons land hebben de werken van Sigrid Undset (geb. 1882) een tijdlang de aandacht getrokken en zij is ongetwijfeld een groot schrijfster, althans in haar historische romans. Haar weergave van de door de katholieke kerk geheel beheerste Noorse maatschappij van de M.E. is meesterlijk en volgens een kenner als Paasche ook historisch juist. ‘Kristin Lavransdatter’ en ‘Olav Audunsson’ zijn grootse creaties.

Sigrid Undset verdedigt in deze en ook in haar romans met motieven uit de eigen tijd de christelijke huwelijksmoraal, die bij een jongere generatie geen weerklank vindt. Toch zullen deze gedegen werken zeker hun waarde als kunstwerken behouden.

Vermelding verdient ook Johan Falkberget (geb. 1879) met zijn historische trilogie ‘Christianus Sextus’ (1927-1935), met als grondidee de verheerlijking van de vreedzame en tevredenstellende arbeid, een werk dat waard is in één adem genoemd te worden met ‘Kristin Lavransdatter’ en ‘Juvikfolket’.

Men mag een globale behandeling van de Noorse literatuur niet besluiten zonder Hans Ernst Kinck (1865-1926) te noemen, een van de veelzijdigste en meest begaafde Noorse schrijvers van deze eeuw. Hij ziet de Noorse cultuur in Europees verband. Zijn belangstelling gaat uit naar de It. Renaissance, waaraan hij voor talrijke werken de stof ontleend heeft, o.a. voor zijn drama ‘Den sidste Gaest’ (De laatste Gast), het drama van Pietro Aretino (1910). Tot zijn voornaamste werken behoort de breed opgezette romantrilogie ‘Sneskavlen brast’ (De lawine brak los, 1918-1919), waarin de maatschappelijke strijd tussen boeren en ambtenaren in het Noorwegen van omstr. 1870 wordt beschreven, zeker met de gedachte aan de klassenstrijd in de eigen tijd. Merkwaardig is Kincks opvatting van de middeleeuwse Noorse maatschappij, die hij in ‘Storhetstid’ (Tijd van grootheid, 1922) ontvouwt, geheel in strijd met die van Paasche en Sigrid Undset. Hij ziet in deze tijd slechts een periode van verval en oplossing. Ook al kan men het met zijn zienswijze niet eens zijn, dan is dit werk toch zeldzaam boeiend en interessant, geschreven met bewonderenswaardige kennis van het onderwerp.

Van de thans levende lyrische dichters is Arnulf 0verland (geb. 1889) zeker degene, die ons het meest te zeggen heeft. Hij heeft de tragedie van deze tijd diep gevoeld. Na de eerste wereldoorlog heeft zijn lyriek aan inhoud gewonnen. Sterk getuigt hiervan de schone lyriek in ‘Brpd og Vin’ (Brood en wijn, 1919), een van zijn rijkste dichtbundels. De benauwenis van de naderende nieuwe oorlog en de verschrikkingen van de laatste jaren heeft hij beleefd met een zeldzame intensiteit. Zijn ironische, koel beheerste vorm met de warme ondertoon, zijn uitgezochte woordenkeus tonen dat de Noorse literatuur, waarin de roman en het drama in de eerste plaats de aandacht trekken, lyriek heeft voortgebracht van onvergankelijke schoonheid.

P. M. BOER-DEN HOED

R. C. Boer, Noorwegens letterkunde, 1922. H. Borelius, Die nordischen Literaturen, 1931. H. Topsoë Jensen, De Skandinavische letterkunde van 1870-1925, 1926. Frederika Blanker, The history of the Skandinavian literatures, 1938.