Ensie 1947

Ensie deel 2, 1947, Anton Reichling S.J. en J.S. Witsenelias.

Gepubliceerd op 30-05-2019

2019-05-30

Russische literatuur

betekenis & definitie

De Russische literatuur krijgt eerst aan het begin van de 18de eeuw enige betekenis en haar bloeitijd vangt aan in het begin van de 19de eeuw met de grootste van alle Russ. dichters: Poesjkin. Vóór die tijd heeft wat er van Russ. letterkunde bekend is feitelijk alleen historische betekenis en nog in het begin van de 18de eeuw is er van schone letteren nauwelijks sprake.

Voor een goed begrip van de hoogtepunten in de Russ. letterkunde is echter een kort overzicht van de voor-classieke tijd noodzakelijk.In het jaar 988, onder de regering van grootvorst Wladimir de Heilige, werd in Rusland het schrift tegelijkertijd met het Christendom uit Byzantium ingevoerd. Naast de vertaalde Byzantijnse en Zuidslavische kerkelijke geschriften bestonden de kronieken, waarvan de oudst bekende de kroniek van Nestor is. In deze geschriften werd door Russ. kloostermonniken jaar na jaar de geschiedenis van Rusland opgetekend, meestal met een uitgesproken christelijke strekking. Vele interessante historische verhalen en legenden treft men hierin aan. Toch kan deze literatuur niet tot de schone letteren gerekend worden, daar haar doel niet was kunst te geven. Er is slechts één werk bekend uit het Kiewse Rusland, dat tot de schone letteren gerekend kan worden: het ‘Lied van de veldtocht van Igor’, dat in dichterlijke en klankrijke taal de ongelukkige veldtocht beschrijft, die vorst Igor Swjatoslawitsj van Nowgorod-Sewersk in 1185 ondernam tegen de Polowtsen, een agressieve Mongoolse volksstam. Dit gedicht, dat een vurig pleidooi houdt voor de eenheid van het Russ. land en de vorsten ernstig vermaant hun onzalige onderlinge twisten om de oppermacht te staken, heeft voor de Rus dezelfde betekenis als voor de Duitser het ‘Nibelungenlied’ en voor de Fransman het ‘Chanson de Roland’. Over de herkomst ervan tast men in het duister, daar het enige handschrift ervan, dat in 1795 ontdekt werd, geheel verloren is gegaan bij de brand van Moskou in 1812.

Onder Peter de Grote en zijn opvolgers heeft de Russ. letterkunde nog niet een eigen vorm gevonden en dicht men verzen volgens het Poolse systeem van een geteld aantal lettergrepen. De dichter en geleerde Lomonosow (1711-1765) is een van de eersten geweest die de metrische versvorm heeft toegepast, welke vorm veel beter voldeed aan de eisen van de Russ. taal. Zijn oden zijn de eerste werkelijke verzen, geschreven in een klankrijke, hoewel vaak bombastische taal.

Onder de regering van Catharina de Grote begint Rusland een eigen letterkunde te krijgen. In deze tijd ontwaakt het nationale gevoel en het pseudo-classicisme moet plaats maken voor een eigen Russ. literatuur. Satires, blijspelen, fabels komen in die tijd in zwang. Een beroemde Russ. fabeldichter is Krylow (1768-1844), wiens veelal aan La Fontaine ontleende fabels tal van toespelingen op Russ. toestanden bevatten.

Bekend is ook de hofdichter van Catharina de Grote, Derzjawin (1743-1816), die met zijn ‘Oden’ evenals Lomonosow veel bijgedragen heeft tot de ontwikkeling van de Russ. lyriek. Bij hem zijn vele motieven ontleend aan Russ. volksliederen en volkssprookjes.

Een veel natuurlijker Russisch dan zijn voorgangers schreef Karamzin (1766-1826), o.a. de schrijver van de ‘Geschiedenis van het Russische rijk’. Hij vermeed de door de oudere schrijvers veel gebruikte kerkslavismen en voerde de echte Russ. volkstaal in. Bij hem speelt ook het sentimentele element een grote rol, o.a. in zijn novelle ‘De arme Lize’.

De dichter Zjoekowskij (1783-1852) wordt door de Russ. literatuurhistorici als de ‘vader der Romantiek’ beschouwd. Onder ‘Romantiek’ wordt hier verstaan het overheersen van het innerlijke gevoel van de mens boven zijn verstand. De meeste gedichten van Zjoekowskij zijn vertalingen van Schiller, Goethe en andere Duitse dichters, maar zij geven zo volkomen ’s dichters eigen gemoedsgesteldheid weer en zijn in een zo mooi Russisch vertaald, dat zij een even goed beeld geven van het karakter van deze dichter als zijn oorspronkelijke werken. Bij hem is de poëzie levensdoel geworden.

Hoewel de laatst besproken schrijvers vaak tot de classieke periode worden gerekend, zijn zij slechts de wegbereiders geweest van de grootste classieke dichter, Alexander Sergejewitsj Poesjkin, die door de inhoud van zijn poëzie voor de Russen een bij uitstek nationale dichter is geworden, daar hij in zijn werken het Russ. leven heeft uitgebeeld in al zijn verschijningsvormen. Vorm en inhoud zijn bij Poesjkin steeds in volmaakte harmonie met elkaar. De klank van zijn poëzie is vol en breed; het is alsof zijn verzen als vanzelf uit zijn pen vloeien en toch heeft niemand aan zijn werk meer geschaafd en verbeterd dan Poesjkin. In het begin van zijn dichtersloopbaan staat hij sterk onder invloed van de Engelse dichter Byron. Gaandeweg echter vermindert deze invloed en in plaats daarvan wordt Shakespeare het ideaal dat hij gaat nastreven. In verband hiermede wordt zijn poëzie, die onder de invloed van Byron een sterk romantisch karakter draagt, in zijn latere jaren realistischer.

Poesjkin werd geboren in het jaar 1799 te Moskou. In 1811 ging hij naar het lyceum in Tsarskoje Selo, waar hij gedichten begon te schrijven, die hem al spoedig enige vermaardheid gaven.

In de jaren 1817-1820 was Poesjkin ambtenaar in Petersburg en leidde daar een lichtzinnig leven. Van 1820 tot 1824 vertoefde hij in Z. Rusland, waarheen hij wegens zijn revolutionnaire neigingen was overgeplaatst. Uit deze tijd stammen zijn sterk byroniaans gekleurde gedichten zoals ‘De gevangene in de Kaukasus’, ‘De springfontein van Bachtsjisaraj’ en ‘De zigeuners’, waarin de helden allen levensmoede mensenhaters zijn.

In 1824 werd Poesjkin naar aanleiding van een brief, waarin hij zich uitsprak voor het atheïsme, verbannen naar het landgoed van zijn moeder te Michajlowskoje. De jaren die hij in dit afgelegen oord doorbracht in gezelschap van zijn oude ‘njanja’ (kindermeid), die hem Russ. volkssprookjes vertelde, brachten hem tot bezinning. In deze periode was zijn lectuur Shakespeare, Goethe, de Bijbel, de Koran en Oudrussische kronieken. Uit de laatste geschriften verzamelde hij materiaal voor zijn drama ‘Boris Godoenow’, dat hij nog in Michajlowskoje schreef. De hoofdpersoon van dit historische drama, Boris Godoenow, de in 1598 tot tsaar gekroonde zwager van Tsaar Fjodor, wordt hier voorgesteld als een man, door wroeging achtervolgd wegens zijn aandeel in de moord op de jongste zoon van Iwan de Verschrikkelijke, de ‘tsarewitsj’ Dimitrij. Hoezeer hij ook tracht zijn onderdanen gelukkig te maken, het volk haat hem, de gewezen bojaar van Tataarse afkomst, en geeft hem de schuld van alle rampen welke Rusland juist in die tijd teisteren. De misdaad van Boris openbaart zich niet als een handeling, maar als een geheimzinnige macht, die zijn stempel drukt op de verschillende gebeurtenissen. Het volk is hier in al zijn geledingen vertegenwoordigd, terwijl toch elke figuur afzonderlijk zijn eigen karaktertrekken vertoont. De oude kroniekschrijver b.v., die rustig, jaar in jaar uit bij zijn lampje de goede en kwade dingen van de Russ. heersers voor het nageslacht optekent, wordt gepersonifieerd door de monnik Pimen, met wie eenmaal de pseudo-Dimitrij als kloosterbroeder had samengeleefd. Prachtig van taal zijn de verzen, waarin deze oude wijze monnik beschreven wordt. Hiermee heeft Poesjkin Shakespeare geëvenaard. Het Russ. publiek bleek echter nog niet rijp voor deze tragedie met zijn rijmloze verzen en waarheidsgetrouwe personen. Eerst later besefte men de waarde van dit kunstwerk.

In dezelfde jaren (1823-1831) ontstond ook zijn hoofdwerk, de roman in verzen ‘Jewgenij Onegin’. Dit werk, dat volgens de criticus Bjelinskij een ‘encyclopaedie van het Russ. leven’ bevat, is de eerste Russ. realistische roman. Naast de titelheld Jewgenij Onegin, een geblaseerde jongeman, begaafd maar zwak van wil, een typisch vertegenwoordiger van de Russ. adel, staat de op het oog niet aantrekkelijke, maar edele Tatjana, die een diepvoelende en krachtige natuur heeft. Zij is het ideaal van de Russ. vrouw. Haar zuster Olga is heel anders, een aantrekkelijk, vrolijk, maar oppervlakkig meisje. De antipode van Onegin is de romantische, dweepzieke Lenskij. De stijl is geheel in overeenstemming met de inhoud, afwisselend lichtironisch, eenvoudig verhalend of lyrisch en innig. Het Russ. leven wordt hier weergegeven in al zijn schakeringen en ook de folklore neemt een belangrijke plaats in. Prachtig is ook de wijze, waarop de vier jaargetijden worden beschreven. Met dit werk heeft Poesjkin zich onsterfelijk gemaakt.

In het verheven gedicht ‘De profeet’ uit zich Poesjkins bewustwording van zijn goddelijke roeping als dichter. Hierin wordt zinnebeeldig voorgesteld hoe de dichter door God wordt geïnspireerd en opgewekt wordt zijn dichterlijk woord aan de mensen te verkondigen.

In het jaar 1828 schreef Poesjkin het gedicht ‘Poltawa’, dat de slag bij Poltawa in de Zweeds-Russische oorlog met het verraad van de hetman Mazeppa beschrijft. Dit gedicht is, in tegenstelling met ‘Boris Godoenow’ en ‘Jewgenij Onegin’, weer romantisch.

Poesjkin trad in 1831 in het huwelijk met Natalja Gontsjarowa, een lichtzinnig meisje dat niets liever deed dan uitgaan en de dichter in het geheel niet begreep. Tenslotte bleek zij zijn noodlot te zijn.

In 1833 volgde ‘De metalen ruiter’, een groot episch gedicht, waarin het standbeeld van Peter de Grote als symbool wordt voorgesteld van de machtige heerscrswil van deze tsaar, die uit moerassen zijn nieuwe residentie, Petersburg, opbouwde. De overstroming van de Newa in 1824 beschrijft de dichter ook in verband hiermede als symbool van de strijd tussen de krachten van natuur en mens.

In de laatste jaren van zijn leven werd Poesjkin niet gewaardeerd door de mensen. De voorname kringen beschouwden hem als een lastig element, benijdden hem de gunst van de tsaar (hij was tot kamerjonker van Nicolaas I benoemd) en trachtten hem kwijt te raken. Hiertoe bedienden zij zich van de pleegzoon van de Nederlandse gezant, George d’Anthès, die wegens zijn verhouding met Poesjkins vrouw de dichter noodzaakte met hem een duel aan te gaan (27 Jan. 1837), tengevolge waarvan Poesjkin twee dagen later stierf.

Van het proza van Poesjkin, dat hij pas in zijn laatste levensjaren is gaan schrijven, is de historische roman ‘De kapiteinsdochter’, die de opstand van de kozak Poegatsjew (1773-1775) beschrijft, het belangrijkste. De taal munt uit door eenvoud en zuiverheid en de personen zijn werkelijk levende mensen. Het werk steekt hierdoor ver boven historische romans van die tijd uit. Naast ‘De kapiteinsdochter’ dienen vermeld te worden: ‘Schoppenvrouw’ en ‘De verhalen van Bjelkin’. Indien Poesjkin was blijven leven, zou hij een van de grootste prozaschrijvers van Rusland zijn geworden.

Een dichter, die veel met Poesjkin gemeen heeft, doch wiens oeuvre niet zo een omvang en niet zo een veelzijdige betekenis heeft, is M. J. Lermontow (18141841). Veel meer dan Poesjkin kan hij de ‘Russische Byron’ genoemd worden. Daar Lermontows moeder jong stierf, werd hij opgevoed door zijn grootmoeder, die voortdurend twist had met zijn vader, zodat hij een ongelukkige jeugd doormaakte. De strijd tussen deze beiden verwerkte hij op 16-jarige leeftijd in een drama, dat de Duitse titel droeg: ‘Menschen und Leidenschaften’ (Mensen en hartstochten).

In 1830 ging Lermontow naar de universiteit te Moskou. In 1832 verliet hij de universiteit en bezocht de cavalerieschool te Petersburg. Zijn kleine epische gedichten uit die tijd zijn sterk door Byron beïnvloed.

In het jaar 1837 schreef Lermontow naar aanleiding van de dood van Poesjkin een gedicht, dat een felle aanklacht bevatte tegen de voorname kringen, die Poesjkin te gronde hadden gericht. Hierom werd hij overgeplaatst naar de Kaukasus. Reeds in 1838 was hij weer in Petersburg terug, doch de korte tijd van zijn verbanning had een verandering ten goede in hem teweeggebracht en zijn poëzie werd objectiever en realistischer. Zijn ‘Lied van tsaar Iwan Wassiljewitsj’, geschreven in de stijl van de bylinen (mondeling overgeleverde heldenliederen), is een van zijn mooiste gedichten. Lermontows gedichten van de jaren 1838-1840 bevatten een scherpe veroordeling van zijn Petersburgse omgeving, waarmee hij voortdurend conflicten had.

In 1839 schreef Lermontow twee gedichten, die beide de Kaukasus tot achtergrond hebben, nl. ‘De mtsyri’ en ‘De daemon’. Deze werden door de censuur verboden. De held van ‘De mtsyri’ (d.i. een jongeman die in een klooster leeft zonder de gelofte te hebben afgelegd) is een Tsjerkessische wees, die door een Russ. officier in een klooster is gebracht, daaruit ontsnapt, maar tenslotte, zonder zijn vaderland te hebben gevonden, in het klooster terugkeert, waar hij sterft aan de gevolgen van zijn vlucht. Prachtig zijn de natuurbeschrijvingen in dit gedicht en aangrijpend is de wijze, waarop het zieleleven van de jonge Tsjerkes wordt geschilderd.

Het motief van het gedicht ‘De daemon’ — de liefde van de daemon voor een sterfelijk, onschuldig meisje — was reeds vroeg in Lermontows geest ontstaan en sinds zijn 16de jaar werkte hij de stof steeds weer opnieuw om. Oorspronkelijk was de inhoud als volgt: een engel bemint een sterfelijk meisje, doch zijn mededinger, de daemon, verleidt haar en sleurt haar naar de hel. Tenslotte werd het gegeven aldus: de daemon hunkert naar verlossing, welke hem door de reine liefde van een meisje moet geschonken worden. Hij is echter zo verdorven en wordt zo in beslag genomen door een zuiver zinnelijke begeerte, dat ook die liefde hem niet meer redden kan. Dit gedicht geeft ons een beeld van de eigen innerlijke strijd van de dichter zelf, die ook iets daemonisch in zijn natuur had.

Het eerste grote prozawerk is de in 1840 in de Kaukasus voltooide roman ‘Een held van onze tijd’. Dit werk is de eerste zuiver psychologische roman in de Russ. literatuur. De ‘held’ Petsjorin is een man met een vurig temperament, maar met een ongevoelig hart, die de vrouwen die hem liefhebben (prinses Mary, de Tsjerkessische Bela) zowel als zijn kalme, evenwichtige vriend Maxim Maximowitsj ongelukkig maakt. Hij gaat echter ten onder aan zijn eigen daemonisch karakter. Ook deze roman is kenschetsend voor de innerlijke ontwikkeling van Lermontow.

Op 15 Juli 1841 voerde Lermontow een duel met een majoor, waarin de dichter sneuvelde. Zo trof hem dus hetzelfde lot als Poesjkin. Waarschijnlijk zou, indien Lermontow langer was blijven leven, de ontwikkeling van zijn kunst ook dezelfde lijn vertoond hebben als die van Poesjkin.

Naast de eerste classieke Russ. dichter Poesjkin staat Gogolj als de eerste classieke prozaschrijver. Gogolj heeft het eerst het Russ. proza zijn diep-menselijke en sociale betekenis gegeven, waardoor het zich in de wereldliteratuur onderscheidt.

Hij is een geboren humorist, met een neiging om van zijn personen caricaturen te maken. Hoewel zijn werken in wezen realistisch zijn, neemt de fantasie met de romantiek er een grote plaats in.

N. W. Gogolj werd 19 Maart 1809 geboren in Sorotsjentsij, gouv. Poltawa in de Oekraïne. In het jaar 1828 ging hij naar Petersburg, waar hij een betrekking kreeg als stadsambtenaar. Het ambtenaarschap stelde hem echter bitter teleur en al spoedig gaf hij het op. In die tijd begon hij ook te schrijven. In 1829 verscheen zijn eerste boek ‘Hans Küchelgarten’, dat op eigen kosten gedrukt werd. Het bevatte een zeer sentimentele ‘idylle in taferelen’ en werd door de critiek sterk afgekeurd. Gogolj was hierover zo wanhopig, dat hij alle niet verkochte exemplaren opkocht en verbrandde.

In 1831 verscheen het eerste deel van zijn bundel ‘Avonden op de boerderij bij Dikanjka’ dat vier Oekrainse verhalen bevatte, in de mond gelegd aan een eenvoudige bijenhouder. Zij zijn vol humor geschreven.

In 1834 werd Gogolj benoemd tot ‘adjunct-hoogleraar’ in de algemene geschiedenis aan de universiteit te Petersburg, wat echter een grote mislukking bleek te zijn: reeds in het najaar van 1835 verliet hij de universiteit voor altijd.

In 1835 verschenen ‘Arabesken' en ‘Mirgorod’. Uit de bundel ‘Arabesken’ spelen drie verhalen in Petersburgse ambtenaarskringen, nl. ‘De Newskij Prospect’, ‘Dagboek van een krankzinnige’ en ‘De mantel’. Zij tonen de kleine ambtenaar en de schrijnende tegenstelling tussen diens idealen en de werkelijkheid. Fantasie en werkelijkheid zijn hier op wonderlijke wijze dooreengevlochten. ‘Mirgorod’ bevat vier Oekrainse novellen als vervolg op de ‘Avonden op een boerderij bij Dikanjka’. Zij vertonen echter door hun strekking meer overeenkomst met de Petersburgse novellen dan met de ‘Avonden’, die veel opgewekter van stemming zijn.

Een historische novelle in deze bundel is ‘Tarasj Boeljba’, waarin op romantische wijze de Zaporozjekozakken van de 17de eeuw worden beschreven in hun strijd met de Polen en de Joden. Dit verhaal geeft een indrukwekkend beeld van de steppe en de geest van de oude kozakken.

In de jaren 1834-1835 schreef Gogolj zijn beroemde comedie ‘De revisor’, die 19 April 1836 in Petersburg werd opgevoerd. In dit stuk wordt de provinciale bureaucratie aan de kaak gesteld en ziet men hoe een hele stad voor de gek gehouden wordt door een lichtzinnige, blufferige jongeman, die men voor de revisor houdt. Grove misbruiken en staaltjes van omkoperij komen hierbij aan het licht. Aan het slot, als de pseudo-revisor is gevlogen, wordt medegedeeld, dat de echte revisor is aangekomen. Hierop volgt een stomme scène: allen verstijven van schrik. Hiermee heeft Gogolj willen aantonen, dat de zonde tenslotte door de wettige overheid gestraft wordt. Daarom werd het stuk niet dooide censuur verboden. Bij het Russ. publiek had het veel succes en sindsdien is het altijd op het repertoire gebleven.

In 1836 ging Gogolj naar het buitenland en keerde eerst in de zomer van 1848 definitief in Rusland terug. Het meest hield hij verblijf in Rome. In deze tijd schreef hij zijn grootste werk: ‘Dode zielen’, dat in 1842 verscheen, als eerste deel van een trilogie, die in zijn geheel een groots epos moest worden van het Russ. volk.

‘Dode zielen’ geeft ons op onnavolgbare wijze een beeld van menselijke kleinheid, domheid en laaghartigheid. Tegen de bedoeling van de schrijver in is dit werk een sociale satire op Rusland geworden. De held van het verhaal, Tsjitsjikow, een op het oog fatsoenlijk en innemend heer, reist de dorpen af om de ‘dode zielen’ van de landeigenaars op te kopen en ze daarna voor veel geld als ‘levend' te verpanden. ‘Dode zielen’ noemde men nl. de reeds gestorven lijfeigenen, die nog niet van de revisielijsten waren geschrapt en waarvoor de grondbezitters dus belasting moesten betalen. Tsjitsjikows slachtoffers, de landeigenaren, zijn ‘dode zielen’ in figuurlijke zin, nl. dood door hun banaliteit en kleinburgerlijkheid en zijn vaak caricaturen van mensen. Veelal wordt het verhaal onderbroken door breedvoerige lyrische passages. Aan het slot wordt Rusland vergeleken met een onstuimig voortijlende ‘trojka’, die een onbekend doel tegemoet snelt. ..

Van het tweede deel van ‘Dode zielen’, dat positieve Russ. karakters wil geven en dat ‘Ontwakende zielen’ moest heten, zijn slechts fragmenten bewaard gebleven. Wat letterkundige waarde betreft halen deze niet bij het eerste deel. Het derde deel, dat ‘Levende zielen’ zou heten, en de Russ. mens moest tonen in zijn volmaaktheid, heeft Gogolj nooit geschreven. Alleen het eerste deel is volkomen geslaagd, doch zodra Gogolj iets positiefs wilde geven, faalde hij. De zucht om alles te ontleden, overheerste bij hem.

In zijn laatste levensjaar verloochende Gogolj, onder de invloed van een fanatiek priester, bijna al zijn werk en ‘De revisor’ en ‘Dode zielen’ legde hij mystiek-allegorisch uit. De 12de Februari 1852 verbrandde hij alles wat hij nog aan manuscripten bezat en weigerde daarna voedsel tot zich te nemen. Ongeveer tien dagen later stierf hij.

Een Russ. prozaschrijver, die voor het eerst Europa een duidelijk beeld heeft gegeven van de toestand van Rusland in het midden van de 19de eeuw, is I. S. Toergenew. Hij is voor een Westeuropeaan ook gemakkelijker te begrijpen dan Tolstoj en Dostojewskij, maar zijn kunst gaat minder diep en is niet zo geniaal. Toergenews taal munt uit door zuiverheid, hoewel zijn stijl soms wat gekunsteld is. Zijn proza is bij uitstek lyrisch getint.

Toergenew werd de 28ste October 1818 in Orel geboren als zoon van een grootgrondbezitter. De hardvochtige wijze, waarop zijn moeder de lijfeigenen behandelde, bracht de jonge Toergenew ertoe met een ‘Hannibalseed’ te zweren, dat hij de slavernij met alle middelen zou bestrijden. Hij studeerde eerst aan de universiteit te Petersburg en daarna in Berlijn (18381841), waar hij voorgoed een z.g. ‘zapadnik’ (westerling) werd.

In 1834 verscheen Toergenews eerste gedicht: ‘Parasja’ waarover de criticus Bjelinskij een zeer waarderend artikel schreef. Beroemd werd Toergenew echter pas door de novelle ‘Chorj en Kalinytsj’, in 1847 in een tijdschrift verschenen. Hierin zijn twee boerentypes beschreven als volkomen op zichzelf staande individuen met een eigen gevoels- en gedachtenleven. Dit was voor de toenmalige Russ. lezer een openbaring.

In 1852 verscheen de bundel ‘Memoires van een jager’. Met grote liefde en begrip zijn hier verschillende Russ. boerentypen beschreven. Het boek vormde een aanklacht tegen de lijfeigenschap, doordat in deze verhalen met hun stemmingsvolle natuurbeschrijvingen en spannende jachtavonturen ook de misstanden, veroorzaakt door de lijfeigenschap, zo duidelijk aan het licht kwamen. In dit werk worden niet alleen boeren beschreven. Zo wordt b.v. in het verhaal ‘Hamlet uit het district van Sjtsjigry’ een mensentype beschreven, dat men later ook steeds weer in Toergenews romans zal aantreffen en dat classiek is geworden in de Russ. literatuur. Met de naam ‘Hamlet’ wordt een verstandig, ontwikkeld mens aangeduid, die te zwak van wil is om zijn verstand ooit productief te maken en tot daden te komen. Een tegenstelling van het Hamlettype is de Don Quijote-figuur, de gevoelsmens die er steeds op uit is met zijn onstuimige dadendrang de wereld te verbeteren, maar die verkeerd handelt, omdat hij niet door zijn verstand geremd wordt. In 1860 vergeleek Toergenew in een lezing deze twee types met elkaar. Ook het Don Quijote-type komt veelvuldig in Toergenews romans voor.

In 1855 vertrok Toergenew naar het buitenland, waar hij voortaan bijna zijn hele leven vertoefde (voornamelijk in Baden-Baden en Parijs), steeds in gezelschap van de zangeres Pauline Viardot geb. Garcia, voor wie hij een hartstochtelijke, doch ongelukkige liefde had opgevat.

In 1855 verscheen de roman ‘Roedin’, waarin de hoofdpersoon een Hamlet-figuur is, die ondanks zijn revolutionnaire ideeën en zijn mooie woorden tenslotte niets presteert, het meisje dat hem liefheeft in de steek laat en in 1848 een zinloze dood sterft op de barricaden in Parijs tijdens de Februari-revolutie.

In 1858 volgde Toergenews mooiste roman: ‘Het adellijke nest’. De heldin, Liza Kalitina, een godsdienstig, edel meisje, dat vrijwillig de man die zij liefheeft opgeeft, is de zuiverste verpersoonlijking van Toergenews vrouwenfiguren, die over het algemeen energieker zijn en fijngevoeliger dan de mannen. In dit boek beschrijft de auteur voor de laatste maal het oude patriarchale Rusland.

In 1860 verscheen ‘Aan de vooravond’. Hier wordt het begin van een nieuwe tijd voor Rusland beschreven. Ook in dit boek is de heldin, Jelena Stachowa, een jonge vrouw die sterker blijkt te zijn dan de Russ. mannen die haar omringen. Alleen de energieke Bulgaar Insarow, die zijn vaderland wil bevrijden van de heerschappij der Turken, wint haar liefde. Met hem wil zij een nieuwe toekomst tegemoet gaan, doch Insarow sterft als zij op weg zijn naar Bulgarije — voordat hij iets heeft kunnen doen voor de verwezenlijking van zijn ideaal.

In de in 1861 verschenen roman ‘Vaders en zonen’ wordt de strijd van twee opeenvolgende Russ. generaties beschreven. Jewgenij Bazarow is de vertegenwoordiger van de nieuwe generatie van het Rusland van de jaren ’60, een ‘nihilist’, die niets van de bestaande opvattingen erkent en alleen zijn eigen verstand als maatstaf aanneemt. Hij streeft slechts naar het nuttige, maar wil daar ook alles voor opofferen. In dat opzicht is hij een Don Quijotefiguur. Hij kent echter ook momenten van twijfel en is daardoor voor ons des te menselijker.

Naast zijn grote werken heeft Toergenew ook veel novellen geschreven, die vaak niet onder doen voor zijn romans en soms zelfs beter zijn, o.a. ‘Asja’, ‘Faust’, ‘Eerste liefde’.

Toergenew stierf in 1883 te Bougival bij Parijs. Na zijn dood werden nog uitgegeven: ‘Gedichten in proza’, die, in volmaakte stijl geschreven, beschouwingen over het Russ. volk bevatten.

Nog meer dan Toergenew verwierf graaf Leo Tolstoj naam in het buitenland, niet alleen als een groot prozaschrijver, maar ook als de prediker van nieuwe sociale en ethische denkbeelden.

De leer van Tolstoj is volkomen anarchistisch, maar ook christelijkethisch. Volgens hem heeft niemand het recht om zich te verheffen boven een ander en daarom mag de ene mens ook niet door de andere gestraft worden, want straf komt slechts voort uit wraak en toorn.

Tolstojs leerstellingen komen met de spreuken van de Bergrede overeen: Hebt uw vijanden lief, Verzet u niet tegen het kwaad, Gij zult niet toornig worden op uw broeder. Deze stellingen had Tolstoj echter niet op het gezag van de Bijbel aangenomen, maar als eis van zijn zedelijk besef.

Als schrijver is Tolstoj een geboren naturalist. Hij heeft een scherp opmerkingsvermogen, zowel voor het uiterlijk als voor het innerlijk van de mens. Zijn beste werken zijn zuiver psychologisch.

Graaf L. N. Tolstoj werd 28 Augustus 1828 geboren op het landgoed van zijn ouders Jasnaja Poljana, in het gouvernement Toela. Van 1844 tot 1847 studeerde hij aan de universiteit te Kazan. In 1847 ging hij terug naar Jasnaja Poljana met het voornemen, een weldoener voor zijn boeren te zijn. De geestelijke afstand tussen de jonge edelman en de eenvoudige onontwikkelde Russ. boeren kon echter niet overbrugd worden en de boeren beschouwden de pogingen van hun heer om hen tot een hoger geestelijk niveau te brengen slechts met wantrouwen. Deze periode van zijn leven heeft Tolstoj treffend beschreven in zijn novelle ‘De ochtend van een grootgrondbezitter’.

Na 1848 bracht hij enige jaren door in Petersburg en Moskou, waar hij een zeer lichtzinnig leven leidde. Wegens speelschulden ging hij naar de Kaukasus en nam na enige tijd dienst in een kozakkenregiment.

In 1852 verscheen Tolstojs eerste novelle ‘Kinderjaren’. Daarna kwam het vervolg ‘Jongensjaren’ en als derde deel “Jongelingstijd’. In deze drie novellen beschrijft hij zijn eigen jeugd in die van de hoofdpersoon Nikolenjka Irtenjew. Uit dit werk blijkt dat Tolstoj reeds in zijn prilste jeugd de neiging had om alles te ontleden en door beredenering een eigen levenssysteem op te bouwen.

In de Kaukasus leidde Tolstoj met de kozakken een ongebonden leven. In deze tijd schreef hij veel kleine verhalen, o.a. de novelle ‘De kozakken’ (1861).

In 1854, toen de Krimoorlog uitbrak, vertrok hij naar Sebastopol, waar hij de val van de vesting meemaakte. Deze strijd wordt op eenvoudige, realistische wijze door Tolstoj beschreven in zijn novelle ‘Sebastopol’ (December, Mei en Augustus).

In 1857 en 1860 maakte Tolstoj reizen naar het buitenland. Na zijn terugkeer op Jasnaja Poljana wijdde hij zich aan de paedadogie en stichtte een school voor boerenkinderen. In deze tijd schreef hij ook veel kinderverhalen, die een groot succes hadden.

In 1862 trad hij in het huwelijk. In de periode van zijn huwelijksleven op Jasnaja Poljana ontstonden zijn twee grootste romans ‘Oorlog en Vrede’ (1865-1869) en ‘Anna Karenina’ (1875-1877).

‘Oorlog en Vrede’ laat ons Rusland zien in zijn strijd tegen Napoleon. Hier is echter niet de geschiedenis het belangrijkste, maar het lot van de mensen, die betrokken zijn bij de historische gebeurtenissen. Eigenaardig is Tolstojs opvatting van de geschiedenis, die hij breedvoerig in zijn roman uiteenzet. Volgens hem hebben de grote veldheren zoals Napoleon geen enkele invloed op de gebeurtenissen; het wereldgebeuren wordt slechts door het noodlot bepaald. Meesterlijk beschrijft Tolstoj o.a. de slag bij Borodino, waarbij hij blijk geeft van een diep inzicht in de psyche van de soldaten afzonderlijk.

Deze roman heeft autobiografische trekken; Pierre Bezoechow, zoeker naar waarheid, en Andrej Bolkonskij, de Petersburgse aristocraat, die zich niet bevredigd voelt in zijn leven, gelijken beiden op Tolstoj. In psychologisch opzicht is deze roman voortreffelijk. Tolstoj geeft, door speciaal de aandacht te vestigen op bepaalde uiterlijke eigenaardigheden van zijn personen, b.v. de korte bovenlip van vorstin Bolkonskaja, tevens een blik op hun karakter.

In de roman ‘Anna Karenina’ wordt op adembeklemmende wijze beschreven, hoe een mooie jonge vrouw door het noodlot van haar milieu en haar levensomstandigheden ten onder gaat.

In dit werk is Constantin Lewin, de man die boereneenvoud verkiest boven de verfijnde genoegens van de mondaine wereld, de alter ego van Tolstoj. Ook hij tracht zoals Tolstoj de grote problemen van het leven zelf op te lossen en vindt tenslotte een oplossing die hem bevredigt.

In de laatste dertig jaren van zijn leven gebruikte Tolstoj de kunst meer dan vroeger als middel om zijn ideeën aan de mensen te verkondigen. In 1890 verscheen ‘Kreutzersonate’, waarin het huwelijksprobleem wordt behandeld, en in 1899 Tolstojs laatste roman ‘Opstanding’. Hierin is de hoofdpersoon, die evenals in andere werken van Tolstoj Nechljoedow heet, de verpersoonlijking van de opvattingen van de schrijver zelf. Wat letterkundige waarde betreft haalt dit werk niet bij Tolstojs vroegere romans.

Ook toneelstukken heeft Tolstoj geschreven, o.a. de in 1895 opgevoerde boerentragedie ‘De macht der duisternis’, een sterk drama, het na zijn dood uitgegeven ‘Het licht straalt in de duisternis’ en ‘Het levende lijk’.

Tien dagen voor zijn dood verliet Tolstoj Jasnaja Poljana om zich geheel uit de wereld terug te trekken, doch onderweg werd hij ziek en stierf de 28ste October 1910.

Evenals Tolstoj schreef Dostojewskij psychologische romans, doch terwijl Tolstoj de karakters van zijn personen verstandelijk ontleedt, doorgrondt Dostojewskij uitsluitend intuïtief de donkerste hoeken van het innerlijk van de mensen.

De hartstochten en gevoelens van Dostojewskij’s romanfiguren zijn in wezen dezelfde als bij ons, maar dan in reusachtig vergrote afmetingen.

Door zijn groot talent heeft Dostojewskij die aannemelijk weten te maken.

F. M. Dostojewskij werd de 30ste October 1821 geboren te Moskou. Hij werd officier in Petersburg, maar nam in 1844 reeds zijn ontslag en wijdde zich daarna uitsluitend aan letterkundige arbeid. Zijn eerste novelle ‘Arme mensen’ (1845), die veel succes had, vertoont sterk de invloed van Gogolj. Het lijden wordt hierin verheerlijkt.

In 1849 werd Dostojewskij ter dood veroordeeld wegens aansluiting bij een groep revolutionnairen. Op het laatste ogenblik echter werden de veroordeelden begenadigd met een verbanning voor vier jaar naar Siberië. Dostojewskij’s gewaarwording bij het horen van deze tijding heeft hij beschreven in zijn roman ‘De idioot’.

Vier jaren bracht Dostojewskij door in de strafgevangenis te Omsk. Zijn indrukken uit die tijd heeft hij weergegeven in zijn boek: ‘Memoires uit het dodenhuis’. Deze periode was beslissend voor Dostojewskij’s innerlijke ontwikkeling: hij kreeg de overtuiging, dat ieder mens van nature goed is en dat ook hij, die het diepst gezonken is, in zichzelf de kracht kan vinden om weer op te staan. Een sociaal of politiek systeem kon volgens hem de mens niet veranderen. Zodoende kwam hij ertoe zijn vroegere revolutionnaire ideeën te veroordelen en werd hij een vurig aanhanger van de tsaristische regering.

Na zijn vrijlating nam Dostojewskij als gewoon soldaat dienst bij een Siberisch regiment. In 1859 keerde hij terug uit Siberië, na tot officier bevorderd te zijn.

In de jaren ’60 ontwikkelde hij een koortsachtige activiteit op literair en journalistiek gebied, richtte samen met zijn broer een tijdschrift op, ‘Epocha’ geheten en schreef de roman ‘Vernederden en gekrenkten’ en vele kleinere novellen. Wegens geldgebrek ging hij in 1865 en 1867 naar Duitsland, waar hij huwde met zijn veel jongere secretaresse. Dit huwelijk was in tegenstelling met het eerste (in Siberië had hij zijn eerste vrouw gevonden) volkomen gelukkig. In deze tijd verschenen twee grote romans, ‘De idioot’ en ‘Boze geesten’.

In 1871 keerde hij in Rusland terug. Hij was nu zeer beroemd geworden als schrijver en kon van zijn literaire arbeid leven. In 1876-1877 verscheen in de vorm van een tijdschrift, door hem zelf geredigeerd: ‘Dagboek van een schrijver’. ‘De gebroeders Karamazow’ schreef hij in de jaren 1879-1880.

De 8ste Juni 1880 hield Dostojewskij een gloedvolle rede ter gelegenheid van de onthulling van het Poesjkinmonument. Nog nooit werd een redenaar zo door het publiek toegejuicht als hij.

Niet lang daarna stierf hij, de 28ste Januari 1881.

In Dostojewskij’s werken wordt vooral de lijdende en vernederde mens beschreven en verheerlijkt. Als voorbeelden mogen dienen figuren als Sonja uit ‘Misdaad en straf’ (bekend als ‘Schuld en boete’), Aljosja Karamazow uit ‘De gebroeders Karamazow’ en vorst Mysjkin uit ‘De idioot’. De laatste was, evenals Dostojewskij zelf, lijder aan vallende ziekte en beleefde, voordat hij een toeval kreeg, momenten van extase, waarin hij de hele wereld liefhad.

Daarnaast komen bij Dostojewskij twee categorieën mensen voor: zij die door zinnelijke begeerte worden overheerst, zoals de oude Karamazow en zijn zoon Dimitrij, Rogosjin uit ‘De idioot’, en zij die bezeten worden door de intellectuele duivel, die de mens verleidt tot atheïsme en revolutie, zoals de nihilisten in ‘Boze geesten’, Iwan Karamazow, die gelooft dat de mens zelf God is en Raskolnikow uit ‘Misdaad en straf’, die, in de mening dat uitverkoren geesten het recht hebben misdaden te bedrijven, een oude woekeraarster van kant maakt. Deze beide zonden, die van de zinnelijke lust en het hoogmoedige rationalisme, voerden ook in Dostojewskij’s eigen ziel een voortdurende strijd om de oppermacht.

Dostojewkij’s romans zijn, wat psychologisch inzicht betreft, onovertroffen. ‘Misdaad en straf’ en ‘Memoires uit het dodenhuis’ doen ons rustiger en evenwichtiger aan dan ‘De idioot’ en ‘Boze geesten’, die in een koortsachtig tempo zijn geschreven, maar juist in de laatste romans is zijn psychologisch inzicht des te dieper.

Het meest volledig uit zich Dostojewskij’s talent in ‘De gebroeders Karamazow’. Deze roman legt getuigenis af van zijn innerlijke strijd tussen geloof en ongeloof, zijn liefde voor de lijdende mensheid en zijn begrip voor de kinderziel.

A. P. Tsjechow is een meester in het schrijven van korte verhalen. In zijn gehele oeuvre komt geen lange roman voor. Van de gewoonste onderwerpen kon hij in korte tijd een geestig verhaal maken.

De humor van Tsjechow heeft vaak een sombere nawerking; men lacht eerst, doch daarna maakt een onbeschrijfelijk weemoedige stemming zich van de lezer meester.

Tsjechow werd geboren de 17de Januari 1860 in het provinciestadje Taganrog. Zijn vader, die in kruidenierswaren handelde, gaf zijn kinderen een zeer strenge godsdienstige opvoeding, wat ten gevolge had, dat Tsjechow een afkeer kreeg van de kerk en alle dwang en onderdanigheid haatte. Zijn literaire loopbaan begon in 1880 in Moskou, waar hij medicijnen ging studeren. Hij behaalde het diploma van arts, doch oefende daarna nooit practijk uit. Om zijn ouders te ondersteunen ging hij voor humoristische bladen korte verhalen schrijven, onder het pseudoniem Antosja Tsjechonte. Deze verhalen verschenen in 1886 voor het eerst in een bundel. In 1887 verscheen een tweede verzameling getiteld: ‘In de schemering’ en in 1890 een derde: ‘Kleurloze mensen’. De verhalen van de laatste twee bundels zijn veel somberder dan die van de eerste bundel. Een van Tsjechows korte verhalen, die feitelijk zeer somber zijn, hoewel zij tot het humoristische genre behoren, is b.v. ‘De oesters’. Hierin wordt verteld hoe een arme jongen, die met zijn vader op de hoek van een drukke straat staat te bedelen en vergaat van de honger, door een paar halfdronken heren volgepropt wordt met oesters en door hen uitgelachen wordt, als hij in de schelpen bijt.

In Tsjechows langere verhalen komen vaak personen voor, die, vol idealen beginnend, tenslotte murw geslagen door de teleurstellingen van het leven, zich volkomen neerleggen bij de bestaande toestand. Zo wordt in de novelle ‘Een vervelende geschiedenis’ een beroemde professor beschreven, die, ofschoon hij door ieder gewaardeerd wordt en een gelukkig huwelijksleven heeft, een kwellend gevoel van innerlijke leegte met zich meedraagt en zijn bestaan doelloos vindt.

In ‘Cel no 6’ (1892) beschrijft Tsjechow een dokter in een ziekenhuis, die niets doet om aan de slechte toestanden die in cel no 6, waar de krankzinnigen huizen, heersen, een einde te maken en die zich verschanst achter de filosofie: zoek het geluk in u zelf. Later komt hijzelf in cel no 6 terecht en dan ondervindt hij tot zijn schade en schande de rampzalige gevolgen van zijn filosofie.

Welk een bekrompen geest er op de Russ. gymnasia in de provincie heerste, toont ons de novelle ‘De mens in het foudraal’. Beschreven wordt een leraar, die zichzelf en alles waarmee hij in aanraking komt als het ware in een foudraal wil opbergen en al het nieuwe de kop indrukt.

Tsjechows toneelstukken behoren tot het lyrische genre, waarbij de handeling bijzaak en de stemming hoofdzaak is. In 1896 werd opgevoerd ‘De meeuw’, dat wegens zijn ongewone vorm werd uitgefloten, maar later, toen het Moskouse kunsttheater het opvoerde, een groot succes had. Daarna werden opgevoerd ‘Oom Wanja’ (1900), ‘De drie zusters’ (1902) en ‘De kersentuin’ (1904). Ook de personen in Tsjechows toneelstukken voelen zich niet bevredigd door hun leven, maar berusten daarin. Zo is het b.v. gesteld met de drie zusters, die zich dood vervelen in hun kleine provinciestadje en ernaar hunkeren om naar Moskou te gaan. Door allerlei omstandigheden zijn zij echter gedwongen er te blijven en zij vegeteren voort, zonder doel.

De laatste jaren van zijn leven bracht met het oog op zijn tuberculeuze aanleg Tsjechow door in Jalta op de Krim. Zijn gezondheid werd echter steeds slechter en daarom ging hij in het voorjaar 1904 naar de badplaats Badenweiler in Duitsland. Daar stierf hij de 14de Juli 1904.

Een schrijver, die voor het eerst revolutionnaire klanken deed horen, is de ook in het buitenland zeer bekende Maxim Gorjkij. Hij behoort tot de realistische school, maar het romantische element is bij hem sterk vertegenwoordigd.

Maxim Gorjkij (Alexej Maximowitsj Pesjkow) werd 14 Maart 1868 te Nizjni Nowgorod geboren. Daar zijn vader reeds in 1873 stierf, werd Gorjkij verder opgevoed in het huis van zijn grootvader, waar nog barbaarse zeden heersten. Op zijn negende jaar kwam Gorjkij in een schoenmakerswerkplaats en daarna oefende hij 15 jaren lang talloze andere beroepen uit, telkens in een andere plaats. Zijn eerste verhaal schreef Gorjkij, toen hij spoorwegarbeider in Tiflis was. Het was getiteld ‘Makar Tsjoedra’ en werd in 1892 geplaatst in het tijdschrift‘Kawkaz’. In 1893 leerde hij in Nizjnij Nowgorod de schrijverKorolenko kennen, die hem introduceerde in de literaire wereld. In 1899 verscheen zijn eerste grote roman:‘Foma Gordejew’ en in 1900 de roman ‘De drie’.

In deze tijd begon Gorjkij ook toneelstukken te schrijvan. In 1901 werd ‘De kleine burgers’ opgevoerd en in 1902 ‘Nachtasyl’, waarmee Gorjkij het hoogtepunt van zijn roem bereikte.

De proletariërs- en zwerversverhalen van Gorjkij hadden zeer veel succes. Naast een grote vitaliteit geven deze verhalen blijk van een scherpe kijk op de sombere zijde van het leven.

In ‘Foma Gordejew’ en ‘De drie’ beschrijft Gorjkij het leven van de kleine burger. In ‘Nachtasyl’ behandelt hij echter weer, evenals in zijn eerste werken, het proletariaat. De zwervers, die in het nachtasyl samenkomen, koesteren trotse minachting jegens de bezittende klasse en zijn de voorbereiders van de revolutie. Een opmerkelijke figuur in het stuk is de pelgrim Loeka, de ‘grote trooster’. Met ‘Nachtasyl’ heeft Gorjkij een periode van zijn ontwikkeling afgesloten.

Sinds 1905 hebben zijn romans en novellen een uitgesproken marxistische tendenz. In 1906 ging Gorjkij wegens de mislukking van de revolutie van 1905 naar Amerika en daarna naar Capri. Tijdens de wereldoorlog keerde hij terug naar Rusland. Sedertdien bekleedde hij een leidende positie in de letterkundige wereld van de Sowjet-Unie.

Zijn werken uit de jaren 1904-1913 zijn zeer talrijk. Twee drama’s uit die tijd zijn ‘Zomergasten’ (1904) en ‘Kinderen van de zon’, welk laatste stuk handelt over dichters en denkers, die in het belang van de mensheid werken, maar geheel vervreemd zijn van het volk. Bekende romans uit die periode zijn ‘De moeder’ en ‘De biecht’, beide met een sterk marxistische tendenz.

In 1913 verscheen Gorjkij’s autobiografische roman ‘Jeugd’, het eerste deel van een trilogie. In 1917 verscheen het tweede: ‘Onder vreemde mensen’ en in 1923 het derde deel: ‘Mijn universiteitsjaren’. Gorjkij schildert hierin meer de omgeving waarin hij is opgegroeid dan de wording van zijn eigen persoonlijkheid. Dit maakt het werk juist voor de Westeuropese lezer zo waardevol. Het onderscheidt zich van zijn vorige novellen en romans, doordat het geen spoor van romantiek en tendenz vertoont. Gorjkij is hier realist in de ware zin des woords. ‘Jeugd’ is ongetwijfeld zijn beste werk.

Sinds 1924 heeft Gorjkij nog enige toneelstukken geschreven en twee romans: ‘Het werk der Artamonows’ (1925), dat beter is dan zijn romans uit zijn middenperiode. en ‘Het leven van Klim Samgin’, een groots opgezet epos van 40 jaren Russisch leven, dat echter te langgerekt is. In 1936 is Gorjkij overleden.

Van de Sowjetruss. schrijvers, die over het algemeen, wat aesthetische waarde betreft, minder van betekenis zijn dan de classieke Russ. schrijvers, zullen wij slechts enkele der bekendste noemen. Een voorloper van de dichters der revolutie was Aleksander Blok (1880-1921) met zijn beroemde gedicht ‘De twaalf’, waarin de revolutie op mystieke wijze wordt uitgebeeld. De futuristische dichter Wladimir Majakowski'] (1894-1930) maakte naam met zijn revolutionnaire gedicht ‘150 millioen’.

Van de prozaschrijvers noemen wij Michail Sjolochow (geb. 1900) met ‘De stille Don’, een groot epos van de revolutie. Fjodor Gladkow (geb. 1883) schreef ‘Cement’, een roman waarin de economische ontreddering na de burgeroorlog wordt geschilderd. Bekend is de historische roman van Aleksej Tolstoj (geb. 1882), ‘Peter de Grote’, waarin ook het volk een grote rol speelt. Konstantin Fedin (geb. 1892) behandelt in de roman ‘Steden en jaren’ het probleem van de Russ. intellectueel, die aarzelt tussen het Westeuropese individualisme en de collectieve mens in Rusland. Tenslotte vermelden wij de ook in het buitenland veel gelezen schrijver Ilja Erenboerg (geb. 1891), die o.a. heeft geschreven ‘De tweede scheppingsdag’ (1934) en ‘Michael Lijkow’.

N. J. WENTINK

A. von Reinholdt, Geschichte der russischen Litteratur von den Anfängen bis au f die neueste Zeit, 1886. A. Luther, Geschichte der russischen Literatur, 1924. L. Leger, La Russie intellectuelle, 1914. N. van Wijk, Hoofdmomenten der Russiese letterkunde: Poesjkin, Gogolj, Tolstoj, Dostojewskij, 1919. N. van Wijk, Geestelik leven en letterkunde in Rusland gedurende de 19de eeuw, 1920. K. F. Proost, De ontwikkeling der literatuur in SowjetRusland, 1935. Gleb Struve, 25 years of Soviel Russian literature (19181943), 1946.

J. Sazonova et André Beucler, La litérature soviétique, 1929.